ECLI:NL:GHARL:2021:9508

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
11 oktober 2021
Publicatiedatum
11 oktober 2021
Zaaknummer
Wahv 200.282.337
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.2.42 Regeling voertuigenArt. 5.2.43 Regeling voertuigenWahv
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging sanctie voor rijden zonder goed werkende ruitensproeierinstallatie

De betrokkene werd bij inleidende beschikking gesanctioneerd voor het rijden zonder een goed werkende ruitensproeierinstallatie. De kantonrechter wijzigde de feitcode en vernietigde de beslissing van de officier van justitie deels. De betrokkene stelde dat de ruitenwisserinstallatie wel werkte, maar dat de vloeistof op was, waardoor de installatie niet als defect kon worden beschouwd.

Het hof oordeelde dat volgens artikel 5.2.43 van de Regeling voertuigen een personenauto met een voorruit na 30 september 1971 moet zijn voorzien van een goed werkende ruitensproeierinstallatie. Omdat het reservoir leeg was, kon de installatie niet functioneren en was de gedraging verricht.

Daarnaast werd het beroep op twijfel aan de bevoegdheid van de buitengewoon opsporingsambtenaar verworpen, omdat het ontbreken van de akte van beëdiging niet voldoende is om gerede twijfel te doen ontstaan. Het hof bevestigde daarom de beslissing van de kantonrechter en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitkomst: De sanctie van €140,- voor het rijden zonder een goed werkende ruitensproeierinstallatie wordt bevestigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.282.337/01
CJIB-nummer
: 222186802
Uitspraak d.d.
: 11 oktober 2021
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Limburg van 20 februari 2020, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. N.G.A. Voorbach, kantoorhoudende te Zoetermeer.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft de beslissing van de officier van justitie vernietigd, het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond verklaard en de feitcode op verzoek van de officier van justitie gewijzigd. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 140,- voor: “N430a - als bestuurder van een voertuig rijden, terwijl het niet is voorzien van een goed werkende ruitenwisserinstallatie”. Deze gedraging zou zijn verricht op 17 december 2018 om 12:52 uur op de Sanderboutlaan in Elsloo met het voertuig met het kenteken [kenteken] . De kantonrechter heeft bij voormelde beslissing van 20 februari 2020 de inleidende beschikking gewijzigd in die zin dat de feitcode is gewijzigd in N430d zijnde “als bestuurder van een voertuig rijden, terwijl het niet is voorzien van een goed werkende ruitensproeierinstallatie voor de voorruit die de bestuurder voldoende zicht geeft”.
2. De gemachtigde stelt zich namens de betrokkene op het standpunt dat de gedraging niet is begaan. De vermeende gedraging wordt genormeerd door het bepaalde in artikel 5.2.42 van de Regeling voertuigen (Rv), waarin is opgenomen dat personenauto’s met een voorruit moeten zijn voorzien van een goed werkende ruitenwisserinstallatie die de bestuurder voldoende uitzicht geeft. De ruitenwisserinstallatie in het voertuig van de betrokkene werkte naar behoren, maar de ruitenwisservloeistof was op. Dit maakt volgens de gemachtigde niet dat de installatie als zodanig disfunctioneert. De betrokkene heeft bij de staandehouding direct aangegeven dat hij de vloeistof bij kon vullen en bovendien regende het die dag niet en was er goed zicht door de voorruit.
3. Uit de verklaringen van de ambtenaar, zoals opgenomen in het zich in het dossier bevindende zaakoverzicht en aanvullend proces-verbaal, volgt dat de ambtenaar heeft waargenomen dat de bestuurder van het voertuig de ruitenwisserinstallatie bediende en dat daarop geen ruitenwisservloeistof uit het reservoir kwam. Dit wordt door de betrokkene ook erkend. De vraag waarvoor het hof zich thans gesteld ziet, is of het ontbreken van ruitenwisservloeistof maakt dat de ruitensproeierinstallatie niet meer deugdelijk werkt.
4. Dat personenauto’s moeten zijn voorzien van een goed werkende ruitensproeierinstallatie, volgt (in tegenstelling tot hetgeen de gemachtigde stelt) uit artikel 5.2.43 Rv:
“Personenauto's met een voorruit, die na 30 september 1971 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van een goed werkende ruitensproeierinstallatie.”
5. Het hof is van oordeel dat de zich in het voertuig van de betrokkene bevindende ruitensproeierinstallatie op het moment van de gedraging niet naar behoren werkte. Achterliggende gedachte achter het bepaalde in voormeld artikel is dat (voor)ruiten van voertuigen voldoende zicht moeten geven. Bij vuil op de voorruit kan het in werking zetten van een ruitensproeierinstallatie ervoor zorgen dat het zicht door de voorruit weer wordt hersteld. Hiertoe is het van essentieel belang dat de installatie daartoe bestemde vloeistof bevat. Zonder deze vloeistof kan de ruitensproeierinstallatie niet functioneren. Nu vaststaat dat de ruitensproeierinstallatie op het onder 1. genoemde moment geen ruitenwisservloeistof bevatte, betekent dat dat de installatie niet werkte. Daarmee staat vast dat de gedraging is verricht.
6. De gemachtigde voert verder aan dat moet worden getwijfeld aan de bevoegdheid van de ambtenaar die de sanctie heeft opgelegd. Omdat de gemachtigde - naar het hof begrijpt - de akte van beëdiging van de betrokken buitengewoon opsporingsambtenaar niet heeft kunnen achterhalen, heeft de gemachtigde bij schrijven van 20 april 2020 de korpschef op grond van de Wob verzocht om - onder meer - deze akte te verstrekken. De korpschef heeft expliciet geweigerd de akte van beëdiging te verstrekken. Naar aanleiding van het arrest van dit hof van 23 december 2019, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2019:10797, is het voor de gemachtigde duidelijk dat het als zodanig stellen dat de akte van aanstelling niet achterhaald kán worden onvoldoende is om te twijfelen aan de bevoegdheid van de ambtenaar. Dit betekent, aldus de gemachtigde met een verwijzing naar de inhoud van dit arrest, dat met een Wob-verzoek - in een concreet dossier - moet worden onderbouwd dat dit stuk niet voorhanden is, hetgeen met de reactie van de korpschef op voormeld verzoek van de gemachtigde genoegzaam is gebleken. Het ligt derhalve thans op de weg van de advocaat-generaal om de akte van beëdiging van de betrokken buitengewoon opsporingsambtenaar in het geding te brengen, aldus de gemachtigde.
7. Het hof heeft in het arrest waaraan de gemachtigde refereert, bepaald dat het bestaan van de bevoegdheid van de betreffende ambtenaar ten tijde van het vaststellen van de gedraging het uitgangspunt is. Dit is slechts anders indien hetgeen wordt aangevoerd gerede twijfel doet ontstaan omtrent de bevoegdheid van de ambtenaar.
8. Dat de akte van beëdiging van de betreffende buitengewoon opsporingsambtenaar niet kan worden achterhaald, omdat deze niet is gepubliceerd, is onvoldoende om te twijfelen aan de bevoegdheid van de ambtenaar. De omstandigheid dat de korpschef weigert het verzoek van de gemachtigde op grond van de Wob in behandeling te nemen, doet die twijfel evenmin ontstaan. De kennelijke opvatting van de gemachtigde dat, indien een afwijzende reactie op het Wob-verzoek wordt overgelegd, de advocaat-generaal de akte van beëdiging van de betrokken buitengewoon opsporingsambtenaar in het geding moet brengen, volgt niet uit het arrest van het hof van
23 december 2019. Het hof ziet derhalve - ook zonder nadere informatie van de advocaat-generaal - in hetgeen de gemachtigde in dit verband naar voren brengt geen reden te twijfelen aan de bevoegdheid van de ambtenaar.
9. De verweren van de gemachtigde treffen geen doel. Dit betekent dat het hof de beslissing van de kantonrechter zal bevestigen. Aanleiding voor het toekennen van een proceskostenvergoeding is er niet.

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Lageveen als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.