ECLI:NL:GHARL:2021:9583

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
5 oktober 2021
Publicatiedatum
13 oktober 2021
Zaaknummer
21-001871-20
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging taakstraf voor openlijke geweldpleging na herkenning door verbalisant

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden behandelde het hoger beroep van verdachte tegen het vonnis van de politierechter Noord-Nederland van 27 mei 2020. Verdachte was veroordeeld voor openlijke geweldpleging gepleegd op 6 mei 2018. Het hof heeft het vonnis bevestigd en de gronden aangevuld.

De verdediging stelde twijfel over de betrouwbaarheid van de herkenning van verdachte door de verbalisant, die belastend had verklaard dat verdachte een blikje had gegooid. Het hof oordeelde echter dat de verbalisant vanuit zijn functie als spotter regelmatig contact had met de supportersgroep waartoe verdachte behoorde en verdachte ambtshalve herkende. Ook verdachte bevestigde de bekendheid met de verbalisant.

Het hof vond het niet aannemelijk dat de verbalisant zich in de hectiek had vergist en concludeerde dat er geen reden was om aan de juistheid van de herkenning te twijfelen. Daarom werd het vonnis van de politierechter bevestigd, met een aanvulling van de motivering.

Uitkomst: Het hof bevestigt de taakstraf van 150 uren subsidiair 75 dagen hechtenis voor openlijke geweldpleging.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-001871-20
Uitspraak d.d.: 5 oktober 2021
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden,
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 27 mei 2020 met parketnummer 18-098409-19 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997,
wonende te [woonplaats] , [woonadres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 21 september 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van Pro het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal strekkende tot veroordeling van verdachte tot een taakstraf voor de duur van 100 uren te vervangen door 50 dagen hechtenis. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw,
mr. J. Andonovski, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank heeft bij vonnis van 27 mei 2020, waartegen het hoger beroep is gericht, de verdachte ter zake van openlijke geweldpleging tegen personen, gepleegd op 6 mei 2018 te [plaats1] aan het [adres] , veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 150 uren subsidiair 75 dagen hechtenis.
Het hof is van oordeel dat de politierechter op juiste wijze heeft beslist. Het hof zal het vonnis bevestigen met aanvulling van de gronden. Het hof overweegt daartoe nog als volgt:
Door de raadsvrouw is ter terechtzitting bij het hof aangevoerd dat er gerede twijfel bestaat of verdachte met een blikje heeft gegooid. Verbalisant [verbalisant1] is de enige die belastend over verdachte heeft verklaard. Vanwege de hectiek is het mogelijk dat verbalisant [verbalisant1] niet goed heeft gezien wie het blikje gooide, aldus de raadsvrouw.
Het hof overweeg hierover als volgt.
Het hof heeft geen reden te twijfelen aan de juistheid en de betrouwbaarheid van de herkenning van verdachte door verbalisant [verbalisant1] . [verbalisant1] heeft vanuit zijn functie als spotter regelmatig contact met de supportersgroep waarvan verdachte onderdeel uitmaakt en (her)kent verdachte ambtshalve (bij naam). Ook verdachte heeft verklaard dat hij verbalisant [verbalisant1] kent. Dat verbalisant [verbalisant1] in de hectiek niet goed zou hebben gezien wie het blikje heeft gegooid en, zo begrijpt het hof, zich zou hebben vergist, acht het hof dan ook niet aannemelijk.
Het vonnis dient daarom met voormelde aanvulling van de gronden te worden bevestigd.

BESLISSING

Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Aldus gewezen door
mr. D.V.E.M. van der Wiel-Rammeloo, voorzitter,
mr. A.H. toe Laer en mr. H. Pluimers, raadsheren,
in tegenwoordigheid van G.G. Eisma, griffier,
en op 5 oktober 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.