Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
1.Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
2.De verdere beoordeling in hoger beroep
3.De slotsom
€ 324,-
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze civiele zaak stond de terugbetaling van een lening van €4.000 centraal. De leningnemer erkende de lening, maar stelde dat hij al een deel had terugbetaald en dat de lening pas eind 2020 opeisbaar was. Het hof liet bewijslevering toe, maar de leningnemer maakte hier geen gebruik van, waardoor zijn verweren niet konden worden aangenomen.
Het hof oordeelde dat de lening op 28 juli 2016 was verstrekt en dat partijen een terugbetalingstermijn van twee à drie jaar hadden afgesproken, waardoor de lening uiterlijk op 28 juli 2019 opeisbaar was. Omdat er geen fatale termijn was overeengekomen, was voor het ontstaan van verzuim een ingebrekestelling vereist. De ingebrekestelling vond plaats op 2 augustus 2018, wat te vroeg was, zodat de wettelijke rente vanaf 29 juli 2019 verschuldigd is.
De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten werd afgewezen omdat de aanmaning werd verstuurd voordat de lening opeisbaar was en de leningnemer dus niet in verzuim verkeerde. Het hof vernietigde het vonnis van de kantonrechter voor zover het de vordering in conventie betrof en veroordeelde de leningnemer tot betaling van het volledige geleende bedrag met rente vanaf 29 juli 2019, alsmede in de kosten van het hoger beroep. Het incidenteel hoger beroep van de leningnemer werd verworpen en hij werd veroordeeld in de kosten daarvan.
Uitkomst: Leningnemer wordt veroordeeld tot betaling van €4.000 met wettelijke rente vanaf 29 juli 2019, zonder vergoeding van incassokosten.