De minderjarige, geboren in 2004, staat sinds mei 2020 onder toezicht van de gecertificeerde instelling (GI). Na een eerdere machtiging tot uithuisplaatsing die verviel wegens niet-uitvoering, woonde hij tijdelijk bij zijn vader, maar door een escalatie is deze verblijfplaats komen te vervallen. De minderjarige vertoont ernstige gedrags- en psychische problemen, waaronder een obsessieve-compulsieve stoornis en paniekstoornis, en heeft behoefte aan een gestructureerde woonomgeving.
De GI verzocht om een machtiging tot uithuisplaatsing, welke door de kinderrechter werd afgewezen. Het hof oordeelt dat ondanks instemming van de ouders, een machtiging noodzakelijk is voor de uithuisplaatsing. De GI heeft inmiddels een concrete woonplek gevonden en verwacht binnen drie maanden uitvoering te kunnen geven aan de machtiging.
Het hof vernietigt de eerdere beschikking voor zover de machtiging werd afgewezen en verleent de machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van de ondertoezichtstelling, waarbij de beschikking uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard.