ECLI:NL:GHARL:2021:9751
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Hoger beroep
- Van Schuijlenburg
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen ongegrondverklaring administratief beroep Wahv wegens termijn voor indienen gronden
De betrokkene stelde hoger beroep in tegen de beslissing van de kantonrechter die het administratief beroep tegen de officier van justitie ongegrond had verklaard. De kern van het geschil betrof de vraag of de gemachtigde van de betrokkene voldoende gelegenheid had gekregen om de beroepsgronden in te dienen.
De gemachtigde had bij het administratief beroep uitdrukkelijk verzocht om een termijn voor het indienen van gronden, maar de officier van justitie verklaarde het beroep ongegrond zonder deze termijn te verlenen. De kantonrechter liet deze beslissing in stand, hetgeen het hof onjuist achtte en daarom vernietigde.
Het hof oordeelde dat de gemachtigde reeds voldoende gelegenheid had gekregen om gronden in te dienen en dat het verzoek om een termijn bij tussenarrest niet nodig was. Het beroep tegen de inleidende beschikking werd daarom ongegrond verklaard. Het verzoek om proceskostenvergoeding werd afgewezen omdat de betrokkene niet in het gelijk werd gesteld.
De beslissing van de kantonrechter en de officier van justitie werden vernietigd, het beroep tegen de officier van justitie werd gegrond verklaard, het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond en het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het gerechtshof vernietigt de beslissing van de kantonrechter en verklaart het beroep tegen de officier van justitie gegrond, maar verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond.