De verdachte werd in hoger beroep veroordeeld wegens overtreding van artikel 163, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994, omdat hij op 26 oktober 2018 weigerde mee te werken aan een bloedonderzoek nadat hij werd verdacht van rijden onder invloed van een stof. Het hof vernietigde het eerdere vonnis van de politierechter en legde een nieuwe straf op.
Tijdens de terechtzitting op 30 september 2021 heeft het hof de vordering van de advocaat-generaal tot een taakstraf van 40 uur en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor 9 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, overwogen. De verdachte en zijn raadsvrouw brachten persoonlijke omstandigheden naar voren, waaronder verslavingsproblematiek en financiële problemen.
Het hof erkende dat verdachte hulp zoekt en werkt aan zijn verslaving, maar vond het bewezen feit ernstig genoeg om een onvoorwaardelijke taakstraf en rijontzegging op te leggen. Gezien het tijdsverloop en de aard van de straf matigde het hof de rijontzegging tot 6 maanden. Verdachte werd vrijgesproken van overige tenlasteleggingen.
De strafoplegging houdt rekening met eerdere veroordelingen van verdachte en de ernst van het feit dat hij de verkeersveiligheid in gevaar bracht door het bloedonderzoek te weigeren. Het vonnis werd op 14 oktober 2021 uitgesproken door het hof te Leeuwarden.