ECLI:NL:GHARL:2021:9935

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
21 oktober 2021
Publicatiedatum
21 oktober 2021
Zaaknummer
Wahv 200.270.560/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Beswerda
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:26 AwbArt. 6:17 AwbArt. 12 Wahv
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen beslissing officier van justitie inzake overschrijding maximumsnelheid zonder schouwrapporten

De betrokkene stelde beroep in tegen een beslissing van de officier van justitie over een verkeersboete wegens overschrijding van de maximumsnelheid op de A2. De kantonrechter verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af.

In hoger beroep werd aangevoerd dat de betrokkene niet correct was uitgenodigd voor de zitting en dat de beslissing van de officier van justitie ondeugdelijk was gemotiveerd omdat geen schouwrapporten aanwezig waren om de juiste bebording te bevestigen. Het hof oordeelde dat de uitnodiging aan de gemachtigde voldeed aan de wettelijke eisen en dat de betrokkene hiervan op de hoogte had moeten zijn.

Het hof stelde vast dat de beslissing van de officier van justitie niet deugdelijk was gemotiveerd omdat geen schouwrapporten in het dossier zaten ten tijde van die beslissing. Pas in hoger beroep werden deze rapporten overgelegd. Daarom werd de beslissing van de kantonrechter vernietigd en het beroep tegen de officier van justitie gegrond verklaard.

Vervolgens beoordeelde het hof het beroep tegen de inleidende beschikking zelf. Op basis van trajectsnelheidsmetingen en schouwrapporten werd vastgesteld dat de bebording correct was geplaatst en dat de overschrijding van 13 km/u vaststond. Het beroep tegen de inleidende beschikking werd daarom ongegrond verklaard.

Het verzoek om proceskostenvergoeding werd afgewezen omdat de betrokkene niet in het gelijk werd gesteld.

Uitkomst: Het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie wordt gegrond verklaard en vernietigd, het beroep tegen de inleidende beschikking wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.270.560/01
CJIB-nummer
: 223741024
Uitspraak d.d.
: 21 oktober 2021
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Limburg van 7 november 2019, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. N.G.A. Voorbach, kantoorhoudende te Zoetermeer.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. De gemachtigde voert aan dat de betrokkene niet (op correcte wijze) is uitgenodigd voor de zitting van de kantonrechter.
2. Het hof stelt vast dat de stukken van het geding een aan de gemachtigde gerichte oproep bevatten van 12 september 2019 voor de zitting van de kantonrechter van 24 oktober 2019. De ontvangst hiervan is door de gemachtigde in het hoger beroepschrift niet betwist. De gemachtigde stelt daarin slechts dat de betrokkene niet correct is opgeroepen voor een zitting.
3. Het hof is van oordeel dat met de uitnodiging van de gemachtigde is voldaan aan de uit artikel 12, eerste lid, van de Wahv voortvloeiende verplichting om de betrokkene in de gelegenheid te stellen zijn zienswijze op een openbare zitting toe te lichten. De gemachtigde dient, gelet op artikel 6:17 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), de betrokkene op de hoogte te stellen van deze uitnodiging. De klacht faalt derhalve.
4. De gemachtigde stelt zich voorts op het standpunt dat de beslissing van de officier van justitie niet deugdelijk is gemotiveerd, nu het betoog omtrent de controle van de bebording op ontoereikende gronden - en met een standaardmotivering - is gepasseerd. Anders dan de officier van justitie tot uitgangspunt neemt, kan het betoog van de betrokkene niet anders worden weerlegd dan door middel van schouwrapporten. Dergelijke schouwrapporten had de officier van justitie niet tot zijn beschikking bij de beoordeling van en beslissing op het administratief beroep.
5. In artikel 7:26, eerste lid, van de Awb is bepaald dat de beslissing op het beroep dient te berusten op een deugdelijke motivering, die bij de bekendmaking van de beslissing wordt vermeld.
6. Het hof stelt vast dat de gemachtigde in administratief beroep de plaatsing van de juiste bebording heeft betwist.
7. De motivering van de beslissing van de officier van justitie houdt onder meer in:
“De toegestane maximumsnelheid werd voor het eerst aangegeven bij hectometerpaal A79 0,4 II en herhaald bij hectometerpaal 252,2 en 254,2.(…) Op grond van de bebording wordt iedere weggebruiker geacht op de hoogte te zijn van de geldende maximumsnelheid. De bebording wordt regelmatig gecontroleerd op juistheid en zichtbaarheid voor het verkeer. Voor de officier van justitie staat vast dat de situatie ter plaatse voldoende duidelijk was.”
8. Het hof stelt vast dat ten tijde van de beslissing van de officier van justitie geen specifieke informatie over de aanwezigheid van de betreffende bebording in het dossier aanwezig was, terwijl dat voor het vaststellen van de gedraging wel vereist is. Voor het eerst in hoger beroep zijn door de advocaat-generaal schouwrapporten overgelegd. Dit brengt mee dat de beslissing van de officier van justitie niet deugdelijk is gemotiveerd en daarmee niet aan de eis van artikel 7:26, eerste lid, van de Awb voldoet.
9. Door de beslissing in stand te laten heeft de kantonrechter dit miskend. Het hof zal daarom de beslissing van de kantonrechter vernietigen en doen wat de kantonrechter had behoren te doen, namelijk het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaren en die beslissing vernietigen. Vervolgens zal het hof het beroep tegen de inleidende beschikking beoordelen.
10. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 100,- voor: “overschrijding maximumsnelheid op autosnelwegen, met 13 km/h (verkeersbord A1)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 23 februari 2019 om 08:29 uur op de A2 rechts (trajectcontrole) in Maastricht met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
11. Namens de betrokkene wordt bestreden dat ter plaatse een maximumsnelheid van 100 km/h gold. Uit het dossier is niet gebleken dat (kort) voor aanvang van de controle de bebording is gecontroleerd. De betrokkene betwist uitdrukkelijk dat de juiste bebording is geplaatst.
12. Op basis van de informatie in het dossier stelt het hof vast dat naast de in de inleidende beschikking vermelde gegevens de gegevens in het zaakoverzicht kort samengevat inhouden dat is gemeten dat met het voertuig met voormeld kenteken een (gecorrigeerde) snelheid is gereden van 113 km per uur op de onder 10. genoemde datum, tijd en plaats. Dit is vastgesteld door middel van een voor de meting getest, goedgekeurd en op voorgeschreven wijze gebruikt trajectsnelheidsmeter op basis van factoren tijd en afstand.
13. Uit de door de advocaat-generaal overgelegde processen-verbaal van schouw, met als bijlage schouwrapporten, blijkt dat op 10 februari 2019, (dertien dagen voor de gedraging) en
24 februari 2019 (één dag na de gedraging) de bebording op het betreffende traject op de A2 is gecontroleerd en dat is gebleken dat onder meer ter hoogte van de hectometerpalen A79 0,4 Li, 252,2 en 254,2 (dus voorafgaand aan en ten tijde van het traject van de controle van hectometerpaal 254,8 tot hectometerpaal 257,5) borden A1 stonden met de aangegeven snelheid 100 stonden. Daarmee is voldoende aannemelijk gemaakt dat dit op de dag van de constatering ook het geval was.
14. Het hof ziet in wat de gemachtigde aanvoert geen reden om aan voormelde gegevens te twijfelen. Uit de schouwrapporten blijkt dat er voorafgaand aan en tijdens het traject borden met de maximum toegestane snelheid van 100 km per uur waren geplaatst. Dat de aanwezigheid van de borden de bestuurder - om welke reden dan ook - mogelijk is ontgaan, is een omstandigheid waarvan de gevolgen voor rekening van de betrokkene komen.
15. Gelet op het voorgaande kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht. Dit betekent dat het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond zal worden verklaard. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020 en 1 april 2021, vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786).

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Beswerda, in tegenwoordigheid van mr. Lageveen als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.