Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
1.[appellant1] ,
[appellante2],
1.[geïntimeerde1] ,
[geïntimeerde2],
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Appellanten huren sinds 2011 een woning en zijn door een kort geding vonnis veroordeeld tot ontruiming en betaling van huur. Zij vorderden in hoger beroep incidenteel schorsing van de uitvoerbaarverklaring van dit vonnis. Eerder was een executiegeschil op grond van artikel 438 lid 2 Rv Pro aanhangig gemaakt, waarbij dezelfde argumenten werden aangevoerd en afgewezen.
Het hof stelt dat een vordering tot schorsing van executie in hoger beroep mogelijk is, maar indien dezelfde vordering reeds op grond van artikel 438 lid 2 Rv Pro is afgewezen en geen nieuwe feiten zijn gesteld, het hof wegens strijd met de goede procesorde niet aan inhoudelijke beoordeling toekomt.
Appellanten beriepen zich op een noodtoestand vanwege de lockdown en het ontbreken van alternatieve woonruimte. Het hof oordeelt dat deze argumenten reeds zijn behandeld en niet opnieuw kunnen worden voorgelegd zonder nieuwe feiten.
Daarom wijst het hof de incidentele vordering af, veroordeelt appellanten in de proceskosten en bepaalt dat de hoofdzaak wordt voortgezet in de huidige stand. Verder worden alle overige beslissingen aangehouden.
Uitkomst: De incidentele vordering tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring wordt afgewezen wegens strijd met de goede procesorde.