Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2021:9968

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
14 oktober 2021
Publicatiedatum
25 oktober 2021
Zaaknummer
21-005131-18
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 OpiumwetArt. 11 OpiumwetArt. 9 SrArt. 22c SrArt. 22d Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor medeplegen van grote hoeveelheid hennepteelt en verwerking

Verdachte werd in hoger beroep veroordeeld voor medeplegen van het opzettelijk bewerken en verwerken van ongeveer 488 hennepplanten en 47,2 kg natte henneptoppen, een grote hoeveelheid softdrug, in een loods te [plaats]. Het hof vernietigde het eerdere vonnis van de rechtbank Noord-Nederland en deed opnieuw recht.

Het hof achtte wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met anderen betrokken was bij de hennepknipperij, die een professioneel karakter droeg gezien de omvang, organisatie en het aantal betrokken personen. Verdachte had een grotere rol dan alleen knippen, omdat hij ook iemand benaderde om te helpen.

De strafzaak kende een overschrijding van de redelijke termijn, wat leidde tot matiging van de straf. Gelet op de ernst van het feit, de recidive van verdachte en de omstandigheden, legde het hof een taakstraf van 120 uren op, subsidiair 60 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest.

Het hof benadrukte de maatschappelijke onwenselijkheid van softdrugs en de schadelijke effecten daarvan op gebruikers. Verdachte werd vrijgesproken van overige tenlasteleggingen die niet bewezen konden worden.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot een taakstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-005131-18
Uitspraak d.d.: 14 oktober 2021
TEGENSPRAAK
Verkort arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden,
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 17 september 2018 met parketnummer 18-850098-15 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983,
wonende te [woonplaats] , [woonadres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 30 september 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van Pro het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep, met veroordeling van de verdachte ter zake hetgeen hem is tenlastegelegd tot een taakstraf van 108 uren, subsidiair 54 dagen hechtenis. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. H.P. Eckert, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De meervoudige strafkamer in de rechtbank Noord-Nederland heeft bij vonnis van 17 september 2018 de verdachte ter zake hetgeen hem is tenlastegelegd veroordeeld tot een taakstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen, met aftrek van voorarrest.
Het hof zal het vonnis waarvan beroep om proceseconomische redenen vernietigen en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 14 november 2015 te [plaats] , gemeente [gemeente] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een loods aan de [adres] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 488 hennepplanten en/of 47,2 kg (natte) henneptoppen, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet, terwijl dit gepleegde feit (mede) betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet, welke hoeveelheid meer bedraagt dan de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde hoeveelheid van een middel (te weten 488 hennepplanten en/of 47,2 kg (natte) henneptoppen, althans meer dan 200 hennepplanten en/of delen daarvan).
Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen met betrekking tot het bewijs

De verdediging heeft ten aanzien van de bewezenverklaring geen inhoudelijke verweren gevoerd en zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, zoals deze later in een eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 14 november 2015 te [plaats] , gemeente [gemeente] , tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft bewerkt en verwerkt, (in een loods aan de [adres] ) een hoeveelheid hennepplanten in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, en 47,2 kg (natte) henneptoppen, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, terwijl dit gepleegde feit (mede) betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet, welke hoeveelheid meer bedraagt dan de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde hoeveelheid van een middel.
Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot oplegging van een taakstraf van 108 uren, subsidiair 54 dagen hechtenis, met inachtneming van overschrijding van de redelijke termijn.
De verdediging heeft verzocht de door de advocaat-generaal voorgestelde straf te matigen, gelet op de geringe rol van verdachte in de knipperij.
Het hof overweegt als volgt. De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het opzettelijk bewerken en verwerken van een grote hoeveelheid hennep (hennepplanten en 47,2 kilogram (natte) henneptoppen). Uit het dossier leidt het hof af dat verdachte niet alleen zelf hennep knipte, maar dat hij ook iemand heeft benaderd om te helpen knippen. Dit maakt dat zijn rol van een grotere betekenis is geweest dan die van louter een knipper. De hennepknipperij had, gelet op onder meer de hoeveelheid aangetroffen hennep, de grote groep knippers (negen personen ten tijde van de ontmanteling), de wijze waarop het vervoer van de knippers was geregeld, de verzorging van maaltijden en passende voorhanden zijnde werkkleding, een professioneel karakter. Het bewezenverklaarde handelen is nauw verbonden met de handel in softdrugs, welke handel allerlei maatschappelijk onwenselijke effecten tot gevolg heeft en het frequent gebruik van softdrugs de gezondheid van de gebruiker kan schaden.
Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft het hof acht geslagen op het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 24 augustus 2021, waaruit blijkt dat verdachte in 2008 en 2009 onherroepelijk is veroordeeld voor Opiumwetdelicten.
Het hof overweegt dat gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde en de rol van verdachte in beginsel een taakstraf van 140 uren een aangewezen en passende straf is. De behandeling van de strafzaak heeft echter niet binnen een redelijke termijn plaatsgehad hetgeen naar het oordeel van het hof tot matiging van de op te leggen taakstraf moet leiden.
Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest, een passende straf.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 9, 22c, 22d en 47 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
60 (zestig) dagen hechtenis.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Aldus gewezen door
mr. D.V.E.M. van der Wiel-Rammeloo, voorzitter,
mr. M.C. Fuhler en mr. L.J. Bosch, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. A.G. Veenstra, griffier,
en op 14 oktober 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.