Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2021:9969

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
14 oktober 2021
Publicatiedatum
25 oktober 2021
Zaaknummer
21-005132-18
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 3 onder B OpiumwetArt. 6 EVRMArt. 422 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging beslissing ontnemingsvordering en vaststelling wederrechtelijk verkregen voordeel op €250

In hoger beroep heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden de beslissing van de rechtbank Noord-Nederland van 17 september 2018 vernietigd, waarin het wederrechtelijk verkregen voordeel was vastgesteld op €38.301,64. Het hof heeft het voordeel opnieuw vastgesteld op een bedrag van €250, gebaseerd op de verklaring van betrokkene dat hij enkele honderden euro's verdiende met het knippen van hennep.

De advocaat-generaal had aanvankelijk een veel hoger bedrag gevorderd, maar heeft dit tijdens de zitting teruggebracht naar €250 vanwege de overschrijding van de redelijke termijn. Het hof acht deze eis reëel en volgt de verdediging hierin. Betrokkene werd eerder veroordeeld voor medeplegen van een opzettelijk verboden feit onder de Opiumwet.

Het hof constateert dat er sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro, maar acht de compensatie in de strafzaak voldoende. De betalingsverplichting aan de Staat wordt vastgesteld op €250, met een maximale gijzelingstermijn van vijf dagen voor het geval van niet-betaling.

Uitkomst: Het hof stelt het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €250 en legt betaling aan de Staat op met een maximale gijzelingstermijn van vijf dagen.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-005132-18
Uitspraak d.d.: 14 oktober 2021
TEGENSPRAAK
ONTNEMINGSZAAK
Verkort arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden,
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Noord-Nederland van 17 september 2018 met parketnummer 18-850098-15 op de vordering ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak tegen

[betrokkene] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983,
wonende te [woonplaats] , [woonadres] .

Het hoger beroep

Betrokkene heeft tegen de hiervoor genoemde beslissing hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 30 september 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van Pro het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, ertoe strekkende dat de beslissing van de eerste rechter wordt vernietigd en het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op een bedrag van € 250,- en oplegging aan betrokkene van de verplichting tot betaling aan de Staat van € 225,- wegens verkregen wederrechtelijk voordeel. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door betrokkene en zijn raadsman, mr. H.P. Eckert, naar voren is gebracht.

De beslissing waarvan beroep

Bij beslissing van de rechtbank Noord-Nederland van 17 september 2018 heeft de rechtbank het wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op een bedrag van € 38.301,64 en aan betrokkene de verplichting tot betaling van datzelfde bedrag aan de Staat opgelegd ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Het hof verenigt zich niet met de beslissing waarvan beroep zodat deze behoort te worden vernietigd en opnieuw moet worden rechtgedaan.

Vordering

De inleidende schriftelijke vordering van de officier van justitie strekt tot schatting van het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel op € 75.744,26 en tot oplegging van de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 75.744,26.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op € 250,- en dat aan betrokkene wordt opgelegd de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van
€ 225,-, gelet op de overschrijding van de redelijke termijn.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de eis van de advocaat-generaal reëel is. Betrokkene kan een iets grotere rol dan de knippers worden toebedeeld. Betrokkene heeft ter zitting van het hof verklaard dat hij met het knippen van hennep een paar honderd euro verdiende. Uit het dossier komt niet naar voren dat betrokkene eerder betrokken is geweest bij de hennepknipperij.

De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel

De betrokkene is bij arrest van dit hof van 14 oktober 2021 (parketnummer 21-005131-18) ter zake van – kort gezegd – medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel, veroordeeld tot straf.
Met betrekking tot de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel is het hof van oordeel dat aannemelijk is dat betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen uit het bewezenverklaarde handelen waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de betrokkene zijn begaan en/of uit andere strafbare feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door betrokkene zijn begaan.
Betrokkene heeft verklaard dat hij een paar honderd euro kreeg voor het knippen van hennep en dat hij geen kosten heeft gemaakt.
Het hof acht de verklaring van de betrokkene aannemelijk geworden. Overeenkomstig het standpunt van de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat betrokkene niet meer voordeel heeft genoten dan een bedrag van € 250,- aan het bewezenverklaarde feit. Aan de inhoud van wettige bewijsmiddelen ontleent het hof de schatting van dat voordeel op een bedrag van € 250,-.

De verplichting tot betaling aan de Staat

Er is in hoger beroep sprake van undue delay in de zin van artikel 6 EVRM Pro. Het hof zal echter volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden aangezien de strafzaak en de ontnemingszaak tegelijkertijd door het hof worden afgedaan en er reeds in de strafzaak compensatie voor het overschrijden van de redelijke termijn plaatsvindt. Hiermee wordt de inbreuk op artikel 6 EVRM Pro voldoende gecompenseerd.
Het hof zal de verplichting tot betaling aan de Staat stellen op voornoemd bedrag.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
Dit voorschrift is toegepast, zoals het gold ten tijde van de procedure.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt de beslissing waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van
€ 250,00 (tweehonderdvijftig euro).
Legt de betrokkene de verplichting op tot
betaling aan de Staatter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van
€ 250,00 (tweehonderdvijftig euro).
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 5 dagen.
Aldus gewezen door
mr. D.V.E.M. van der Wiel-Rammeloo, voorzitter,
mr. M.C. Fuhler en mr. L.J. Bosch, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. A.G. Veenstra, griffier,
en op 14 oktober 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.