AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging veroordeling voor overtreding Opiumwet met geldboete en hechtenis
In hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter te Midden-Nederland, waarbij verdachte was veroordeeld wegens opzettelijk handelen in strijd met artikel 2 onderPro C van de Opiumwet, heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het vonnis bevestigd. De politierechter had verdachte veroordeeld tot een geldboete van €450,-, subsidiair 9 dagen hechtenis, en de onttrekking aan het verkeer van inbeslaggenomen voorwerpen bevolen.
Het hof heeft het vonnis van de politierechter met aanvulling van de strafmotivering bekrachtigd, waarbij rekening is gehouden met artikel 63 SrPro en een uittreksel uit de Justitiële Documentatie betreffende verdachte. Het hof acht de gronden van de politierechter juist en de beslissing correct genomen.
De opgelegde geldboete wordt verminderd met de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, tegen een maatstaf van €50 per dag, voor zover deze tijd niet reeds op een andere straf is verrekend. Daarnaast beveelt het hof de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten vier ponypacks met hash en één pil.
De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 14 oktober 2021, na onderzoek van de zaak op 30 september 2021. Het hoger beroep werd ingesteld tegen het vonnis van 3 januari 2020 van de politierechter.
Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot een geldboete van €450,-, subsidiair 9 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest en onttrekking aan het verkeer van inbeslaggenomen voorwerpen.
Uitspraak
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-000190-20
Uitspraak d.d.: 14 oktober 2021
VERSTEK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden,
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 3 januari 2020 met parketnummer 16-191374-19 in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,
wonende te [woonplaats] , [woonadres] .
Het hoger beroep
De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 30 september 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 vanPro het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van de verdachte ter zake van hetgeen hem is tenlastegelegd tot een geldboete van € 450,-, subsidiair 9 dagen hechtenis. Ten aanzien van het beslag heeft de advocaat-generaal onttrekking aan het verkeer gevorderd. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het vonnis waarvan beroep
De politierechter in de rechtbank Midden-Nederland heeft bij vonnis van 3 januari 2020, waartegen het hoger beroep is gericht, de verdachte, ter zake – kort gezegd – opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onderPro C van de Opiumwet gegeven verbod, veroordeeld tot een geldboete van € 450,-, subsidiair 9 dagen hechtenis. Voorts heeft de politierechter de inbeslaggenomen voorwerpen onttrokken aan het verkeer.
Het hof zal het vonnis bevestigen met aanvulling van de gronden in de strafmotivering, met dien verstande dat het hof thans rekening heeft gehouden met artikel 63 vanPro het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) en het verdachte betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 24 augustus 2021.
Het hof is van oordeel dat de politierechter voor het overige op juiste gronden heeft geoordeeld en op juiste wijze heeft beslist.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 23, 24, 24c, 36b, 36c en 63 Sr.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep met aanvulling van gronden in de strafmotivering als hiervoor vermeld.
Veroordeelt de verdachte tot een geldboetevan € 450,00 (vierhonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 9 (negen) dagen hechtenis.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde geldboete in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van € 50,00 per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Beveelt de onttrekking aan het verkeervan de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
4 ponypacks – G2467213
hash – G2467237
1 pil – G2467247.
Aldus gewezen door
mr. M.C. Fuhler, voorzitter,
mr. D.V.E.M. van der Wiel-Rammeloo en mr. L.J. Bosch, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. A.G. Veenstra, griffier,
en op 14 oktober 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.