Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden behandelde het hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank Midden-Nederland waarin een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ter zake van hennepteelt was vastgesteld op €22.679,14. Betrokkene werd veroordeeld voor medeplegen van hennepteelt en diefstal van stroom, maar stelde dat hij naast vergoeding van huur- en elektriciteitskosten geen ander wederrechtelijk voordeel had genoten.
De advocaat-generaal vorderde bevestiging van het vonnis, stellende dat de verklaring van betrokkene ongeloofwaardig was. De verdediging betoogde dat geen sprake was van wederrechtelijk voordeel en dat de vordering niet-ontvankelijk of afgewezen moest worden.
Het hof oordeelde dat betrokkene aannemelijk had gemaakt dat hij alleen vergoeding ontving voor huur en elektriciteit gedurende de periode dat de hennepkwekerij actief was. De huur bedroeg €1.200 per maand en elektriciteitskosten €150 per maand, over een periode van drie maanden. Dit resulteerde in een geschat wederrechtelijk voordeel van €4.050.
Het hof verwierp het verweer dat geen wederrechtelijk voordeel was genoten, omdat besparing van kosten ook als voordeel wordt aangemerkt volgens artikel 36e, vijfde lid, Wetboek van Strafrecht. Het vonnis van de rechtbank werd vernietigd en het bedrag van €4.050 werd vastgesteld als ontnemingsbedrag dat betrokkene aan de Staat moet betalen.