ECLI:NL:GHARL:2022:1006

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
9 februari 2022
Publicatiedatum
9 februari 2022
Zaaknummer
Wahv 200.273.036/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • De Witt
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 18 RVV 1990Art. 1 RVV 1990Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging van boete voor het niet voor laten gaan van rechtsafslaande vrachtwagen bij linksaf slaan

De betrokkene werd door de officier van justitie beboet voor het niet verlenen van voorrang aan een rechtsafslaande vrachtwagen bij het linksaf slaan op een kruispunt in Eindhoven op 13 december 2018. De kantonrechter verklaarde het beroep van de betrokkene ongegrond en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af.

In hoger beroep voerde de gemachtigde van de betrokkene aan dat de beslissingen onvoldoende waren gemotiveerd en betwistte dat de gedraging had plaatsgevonden. Hij stelde dat de vrachtwagen een eigen rijstrook had en niet gehinderd werd, ondanks dat deze moest remmen en claxonneerde. Het hof oordeelde dat het begrip 'voor laten gaan' inhoudt dat de andere bestuurder ongehinderd zijn weg kan vervolgen.

Het hof stelde vast dat de verklaring van de ambtenaar, die de betrokkene zag doorrijden terwijl de vrachtwagen moest remmen en claxonneerde, betrouwbaar is. Dit strookt niet met de betrokkene zijn lezing. Het hof concludeerde dat de betrokkene de vrachtwagen niet in staat stelde ongehinderd zijn weg te vervolgen, en bevestigde daarom de beslissing van de kantonrechter en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de boete voor het niet voor laten gaan van een rechtsafslaande vrachtwagen en wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.273.036/01
CJIB-nummer
: 222137062
Uitspraak d.d.
: 9 februari 2022
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank
Oost-Brabant van 24 oktober 2019, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. C.M.J.E.P. Meerts, kantoorhoudende te Beegden.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 230,- voor: “links afslaande, geen voorrang aan tegemoetkomende rechts afslaande bestuurders verlenen.” Deze gedraging zou zijn verricht op 13 december 2018 om 12:15 uur op de Aalsterweg in Eindhoven met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene voert in hoger beroep aan dat de beslissingen van de kantonrechter en de officier van justitie onvoldoende zijn gemotiveerd. De betrokkene betwist de gedraging te hebben verricht en stelt dat er nog steeds geen reactie gekomen op het verweer dat de ambtenaar wel stelt dat er geen voorrang werd verleend, maar dat het niet nodig was om voorrang te verlenen gelet op de situatie. De bestuurder is bij groen licht linksaf geslagen. Hij kwam daarbij op de linkerrijstrook terecht. De tegemoetkomende vrachtwagen die rechtsaf sloeg, kwam op de rechterrijstrook terecht. De bestuurder heeft de vrachtwagen niet gehinderd en het was dus niet nodig om voorrang te verlenen nu deze een eigen rijstrook ter beschikking had. Dat de bestuurder van de vrachtwagen heeft geremd en heeft geclaxonneerd maakt dit niet anders. Wellicht heeft deze bestuurder de situatie verkeerd ingeschat.
3. Artikel 18, tweede lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) luidt: “Bestuurders die naar links afslaan, moeten tegemoetkomende bestuurders die op hetzelfde kruispunt naar rechts afslaan voor laten gaan.”
4. Deze bepaling is ingevoerd bij de overgang van het RVV 1966 naar het RVV 1990. De vraag is wat onder voor laten gaan moet worden verstaan. Dit begrip is in het RVV 1990 niet gedefinieerd. Wel is in artikel 1 van Pro het RVV 1990 “voorrang verlenen” gedefinieerd als “het de betrokken bestuurders in staat stellen ongehinderd hun weg te vervolgen.”
5. De Nota van toelichting merkt hieromtrent onder meer op (Staatsblad 1990, 495, pag. 90):
"In het RVV 1990 is gekozen voor een expliciete omschrijving van het begrip voorrang verlenen. In plaats van "de doorgang vrijlaten" wordt nu gesproken van de bestuurders in staat stellen ongehinderd hun weg te vervolgen. Met name impliceert dit dat een bestuurder die snel een kruispunt nadert en pas op het laatste moment stopt waarbij hij de indruk wekt bij het voorrangsgerechtigde verkeer dat hij niet aan zijn voorrangsverplichting zou voldoen, geen voorrang verleent, hoewel hij in objectieve termen wel de doorgang vrijlaat. Het wordt gewenst geacht dergelijke bestuurders op het negeren van de voorrangsregel aan te kunnen spreken. Hierbij wordt aangesloten bij de recente jurisprudentie over het voorrang geven." De Nota van toelichting op artikel 18 RVV Pro 1990 houdt onder meer in: "Het bepaalde in artikel 18, eerste lid, wijkt inhoudelijk niet af van de regeling zoals deze ingevolge het RVV 1966 gold. Wel is hier in plaats van het begrip hinderen gekozen voor de term "voor laten gaan". Het Tweede lid is nieuw. In het aldaar beschreven geval blijken bestuurders die op een kruispunt naar links afslaan rechtsafslaande bestuurders op dat kruispunt voor te laten gaan. Deze informele praktijk wordt thans juridisch ondersteund. (…).” Zowel de regeling van de voorrang als die van het afslaan houdt derhalve in dat de ene weggebruiker de andere weggebruiker in staat stelt om ongehinderd zijn weg te vervolgen.
6. Het hof merkt daarbij nog op dat het op de weg ligt van een bestuurder die een ander moet laten voor gaan, om daarbij rekening te houden met algemeen bekende eigenschappen van het voertuig dat hij voor moet laten gaan. Een vrachtwagen heeft in de regel meer ruimte nodig om een haakse bocht naar rechts te kunnen maken dan een personenauto.
7. De verklaring van de ambtenaar houdt in: “betrokkene sloeg linksaf waarbij (het hof leest: hij een) vrachtwagen die rechtsaf sloeg geen voorrang verleende. Vrachtwagen moest hierbij vol in de remmen om een aanrijding te voorkomen. Vrachtwagen claxonneerde echter reed betrokkene door en verleende daarbij geen voorrang.”
8. Het hof ziet in hetgeen door en namens de betrokkene is aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van de ambtenaar. In de door de door de betrokkene geschetste gang van zaken zou nimmer enig risico op een aanrijding hebben kunnen bestaan. Dat maakt dat deze lezing niet verenigbaar is met de waarneming van de ambtenaar dat de vrachtwagenchauffeur claxonneerde en, omdat de betrokkene doorreed, vol in de remmen moest om een aanrijding te voorkomen. De verklaring van de ambtenaar kan derhalve de conclusie rechtvaardigen dat de betrokkene de bestuurder van de vrachtwagen niet in staat heeft gesteld om ongehinderd zijn weg te vervolgen. Op basis van de verklaring van de ambtenaar kan derhalve worden vastgesteld dat de gedraging is verricht, zoals ook de kantonrechter heeft geoordeeld.
9. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter bevestigen en het verzoek om vergoeding van proceskosten afwijzen.

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. De Witt, in tegenwoordigheid van mr. Smeitink als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.