Belanghebbende B.V. is eigenaar van een vrijstaande bedrijfswoning met een inhoud van 448 m3, gelegen aan een adres te [plaats1]. De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde per 1 januari 2019 vast op €332.000, waartegen belanghebbende bezwaar maakte en vervolgens beroep instelde bij de rechtbank. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep betwist belanghebbende de vastgestelde waarde en stelt een lagere waarde van €269.000 voor. De heffingsambtenaar onderbouwt de waarde met een taxatierapport waarin vier vergelijkbare bedrijfswoningen als referentieobjecten worden gebruikt, rekening houdend met bouwjaar, ligging, kwaliteit en onderhoud.
Het hof oordeelt dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde niet te hoog is vastgesteld. De verschillen tussen de referentieobjecten en de onroerende zaak zijn voldoende meegewogen. De stelling van belanghebbende over een onjuiste inhoud van de woning wordt verworpen, evenals het aangevoerde argument over huurwaarde, omdat de waarde is gebaseerd op vergelijkende verkopen.
Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er wordt geen proceskostenvergoeding toegekend.