ECLI:NL:GHARL:2022:10107

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
22 november 2022
Publicatiedatum
23 november 2022
Zaaknummer
21/01667
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 Wet WOZArt. 4 Uitvoeringsregeling Wet WOZ
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging waarde vaststelling autowasplaats voor OZB 2020

De heffingsambtenaar stelde de waarde van een autowasplaats gelegen op een industrieterrein per 1 januari 2019 vast op € 767.000 voor het jaar 2020. Belanghebbende betwistte deze waarde en stelde een lagere waarde van € 435.000 voor, waarna de Rechtbank Midden-Nederland het beroep ongegrond verklaarde.

In hoger beroep handhaafde het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden de uitspraak van de rechtbank. Het hof overwoog dat de waardebepaling volgens de Wet WOZ correct was toegepast, waarbij rekening werd gehouden met de gecorrigeerde vervangingswaarde en de waarde van de grond en opstal. De door belanghebbende aangevoerde bezwaren over de oppervlakteberekening en verrekenbare kosten werden niet gegrond bevonden.

Daarnaast oordeelde het hof dat de door belanghebbende ter zitting gegeven toelichting op de onderbouwende grondtransacties te laat was ingebracht, waardoor deze niet in de beoordeling konden worden meegenomen. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de waardebepaling van € 767.000 bevestigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem
nummer BK-ARN 21/01667
uitspraakdatum: 22 november 2022
Uitspraak van de achtste enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende] B.V.te
[vestigingsplaats](hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland (hierna: de Rechtbank) van 25 oktober 2021, nummer UTR 20/4116, in het geding tussen belanghebbende en
de
heffingsambtenaarvan
de gemeente Hilversum(hierna: de heffingsambtenaar)

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [adres1] 6 te [plaats1] (hierna: de onroerende zaak), per waardepeildatum 1 januari 2019 en naar de toestand op die datum, voor het jaar 2020 vastgesteld op € 767.000. Tegelijk met deze beschikking zijn aanslagen onroerendezaakbelasting ter zake van de eigendom en het gebruik van de onroerende zaak (hierna: OZB) 2020 vastgesteld.
1.2.
Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak op bezwaar de beschikking en de aanslagen gehandhaafd.
1.3.
Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.
1.5.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 november 2022. Daarbij zijn verschenen en gehoord mr. D.A.N. Bartels, als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede [naam1] namens de heffingsambtenaar.

2.Vaststaande feiten

De onroerende zaak betreft een in 2007 gebouwde autowasplaats, gelegen op een industrieterrein. Het object ligt op een kavel van 1500 m2.

3.Geschil

3.1.
In geschil is de waarde van de onroerende zaak op de waardepeildatum 1 januari 2019.
3.2.
Belanghebbende bepleit een waarde van € 435.000 en concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraak op bezwaar en tot vermindering van de bij beschikking vastgestelde waarde en van de aanslagen OZB 2020.
3.3.
De heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat de waarde van € 767.000 niet te hoog is vastgesteld en concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4.Beoordeling van het geschil

4.1.
Ingevolge artikel 17, lid 2, van de Wet WOZ moet de waarde van de onroerende zaak worden bepaald op de waarde die daaraan dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de onroerende zaak in de staat waarin het zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Naar de bedoeling van de wetgever is deze waarde “de prijs welke door de meestbiedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding”.
4.2.
Op grond van artikel 17, lid 3, van de Wet WOZ wordt – in afwijking van artikel 17, lid 2, van de Wet WOZ – de waarde van een onroerende zaak voor zover die niet tot woning dient, bepaald op de gecorrigeerde vervangingswaarde indien dit leidt tot een hogere waarde dan die ingevolge artikel 17, lid 2, van de Wet WOZ. Bij de berekening van de vervangingswaarde wordt rekening gehouden met de aard en de bestemming van de zaak en de sedert de stichting van de zaak opgetreden technische en functionele veroudering, waarbij de invloed van latere wijzigingen in aanmerking wordt genomen.
4.3.
Ingevolge artikel 4, lid 2, van de Uitvoeringsregeling Wet WOZ (hierna: de Uitvoeringsregeling) wordt de vervangingswaarde, bedoeld in artikel 17, lid 3, van de Wet WOZ, berekend door bij de waarde van de grond van de onroerende zaak op te tellen de waarde van de opstal van de onroerende zaak. De waarde van de grond wordt bepaald door middel van een methode van vergelijking als bedoeld in het eerste lid, onder a, rekening houdend met de bestemming van de zaak. De waarde van de opstal wordt gesteld op de kosten die herbouw van een vervangend identiek object zouden vergen, gecorrigeerd met een factor wegens technische veroudering gebaseerd op de verstreken en de resterende gebruiksduur en met inachtneming van de restwaarde, en gecorrigeerd met een factor wegens functionele veroudering gebaseerd op economische veroudering, verouderde bouwwijze, ondoelmatigheid en excessieve gebruikskosten.
4.4.
Het Hof is van oordeel dat de Rechtbank in de onderdelen 6 (2) tot en met 13 van haar uitspraak op goede gronden tot een juist oordeel is gekomen. Het Hof maakt deze overwegingen tot de zijne en voegt daar het volgende aan toe.
4.5.
Belanghebbende heeft zich ook in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de waarde van de onroerende zaak € 435.000 moet zijn. Hierbij heeft belanghebbende eerst ter zitting van het Hof de stellingen betrokken dat in het Werkblad Vervangingswaarde de verrekenbare kosten (posten 8710, 8720, 8730 en 8740) ten onrechte niet zijn ingevuld en dat het in dit werkblad vermelde totaal van 2577 m2 voor ruwbouw, afbouw en installaties niet kan kloppen omdat het perceel een oppervlakte heeft van 1500 m2. Zoals ter zitting is geconstateerd is in het rekenblad bij de uitsplitsing van de oppervlakten (nrs 1 tot en met 4) de oppervlakte van de wasboxen en van de installatieruimte drie maal meegeteld, namelijk voor ruwbouw, afbouw en installaties, terwijl ook de lengte van het hekwerk als oppervlakte is meegeteld. Deze dubbeltelling is echter niet van invloed geweest op de waardering. Blijkens het rekenblad is bij de waardering van de grond immers uitgegaan van een kavel van 1.500 m2 à € 375/m2. Verder heeft de heffingsambtenaar ter zitting van het Hof onweersproken gesteld dat de in het werkblad genoemde verrekenbare kosten terecht niet zijn ingevuld omdat deze zich in dit geval niet voordoen.
4.6.
Belanghebbende heeft voorts eerst ter zitting van het Hof toegelicht waarom de onderbouwende grondtransacties naar zijn mening geen reële vergelijkingen betreffen. Anders dan belanghebbende stelt kan dit niet gelezen worden in de algemene woorden van de pinpointbrief van 30 september 2022. Het Hof acht deze eerst ter zitting van het Hof gegeven feitelijke toelichting van belanghebbende tardief. Belanghebbende had deze onderbouwing eerder in de stukken naar voren kunnen en moeten brengen, zodat de wederpartij daarop had kunnen reageren.
SlotsomOp grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5.Griffierecht en proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.

6.Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E. Keulemans, lid van de achtste enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. A. Vellema als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 november 2022.
De griffier, Het lid van de enkelvoudige belastingkamer,
(A. Vellema) (A.E. Keulemans)
Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 23 november 2022.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.