De zaak betreft een geschil tussen ouders over het hoofdverblijf en de zorgregeling van hun minderjarige kind na beëindiging van hun relatie. De rechtbank had het hoofdverblijf bij de vader vastgesteld en een zorgregeling met beperkte omgang bij de moeder. De moeder stelde hoger beroep in tegen deze beschikking.
Het hof overwoog dat vanwege de problematiek van de moeder, waaronder zorgen over haar veiligheid en opvoedcapaciteiten, het belang van het kind het beste gediend is met hoofdverblijf bij de vader. De moeder volgt inmiddels een hulpverleningstraject, maar dit is nog in een beginfase en de zorgen zijn niet weggenomen. De raad voor de kinderbescherming en de gecertificeerde instelling onderschrijven de veiligheid en stabiliteit bij de vader.
De moeder uitte beschuldigingen richting de vader, maar het hof achtte het mogelijk dat deze zorgen vooral zijn bedoeld om beslissingen in haar voordeel te beïnvloeden. De zorgregeling wordt aangepast zodat de minderjarige één weekenddag en woensdagmiddag bij de moeder verblijft, met ruimte voor incidentele wijzigingen door de GI, die ook de uitbreiding van de omgang regelt zodra dit verantwoord is.
Het hof bekrachtigt het hoofdverblijf bij de vader en vernietigt het deel van de beschikking over de zorgregeling, waarna het een nieuwe regeling vaststelt die het belang van het kind dient en rekening houdt met de situatie van beide ouders.