De beoordeling
1. Bij de beschikking met voormeld kenmerk is aan eiser een boete van € 95,- opgelegd voor overtreding van artikel 8, eerste lid, van de Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Amsterdam houdende regels omtrent afvalstoffen (Afvalstoffenverordening 2009, hierna: de Afvalstoffenverordening). De overtreding zou zijn begaan op 2 april 2021 op de C. van Eesterenlaan in Amsterdam.
2. Artikel 8, eerste lid, van de Afvalstoffenverordening luidt als volgt:
“Het is de gebruiker van een perceel, voor wie krachtens artikel 4, vierde lid een inzamelmiddel of inzamelvoorziening of brengdepot is aangewezen, verboden de huishoudelijke afvalstoffen anders aan te bieden dan met behulp van het betreffende inzamelmiddel of de betreffende inzamelvoorziening of het betreffende brengdepot.”
3. Eiser is van mening dat de kantonrechter niet behoorlijk op zijn argumenten is ingegaan. Iedere afweging of motivering ontbreekt. Eiser herhaalt daarom in hoger beroep zijn bezwaren. Hij betwist niet dat hij de overtreding heeft begaan, maar stelt dat het onredelijk is dat hem daarvoor een boete is opgelegd. De gemeente komt haar verplichting ervoor te zorgen dat de inzamelvoorzieningen bruikbaar zijn niet na. De papiercontainer bleek vol te zitten toen eiser daar een kartonnen doos in wilde deponeren. Eiser heeft de doos daarom op straat naast de container achtergelaten. De volgende dag zou het grofvuil worden opgehaald, zodat de doos maar kort op straat zou staan. Volgens eiser brengen de door verweerder aangedragen alternatieven, namelijk het tijdelijk thuis opslaan van afval of het uitwijken naar een inzamelvoorziening elders, veel ongemak met zich mee voor Amsterdammers. Hij stelt verder dat hij aanvankelijk veronderstelde dat karton ook bij het grofvuil mag worden aangeboden. Voordat de speciale papiercontainers een jaar geleden werden ingevoerd, was dit namelijk nog wel toegestaan. De wijziging in de regelgeving is onvoldoende gecommuniceerd. Eiser wijst erop dat het aantal boetes voor verkeerd aangeboden huisvuil in Amsterdam de afgelopen jaren sterk is gestegen. Tegen een derde van de boetes wordt bezwaar aangetekend. Bij zulke aantallen hoort verweerder na te gaan of de regelgeving wel behoorlijk is. Eiser meent verder dat sprake is van rechtsongelijkheid. Bij wijze van proef wordt op sommige locaties de straat schoon opgeleverd door de afhalers van grofvuil. Dat brengt mee dat op die locaties óók kartonnen dozen worden afgevoerd. Dat levert rechtsongelijkheid op ten aanzien van burgers die karton achterlieten op locaties waar niet schoon wordt opgeleverd. Eiser merkt tot slot op dat in de uitnodiging voor de zitting van de kantonrechter en in diens beslissing wordt gerept van ‘Wet Mulder’ en ‘het CJIB’, terwijl volgens het CJIB huisvuilboetes niet door hem worden geïnd. Hij betwijfelt of hier wel sprake is van zorgvuldige rechtspleging.
4. Het hof constateert met eiser dat de kantonrechter in het geheel niet op de concrete argumenten van eiser is ingegaan. Ook heeft de kantonrechter ten onrechte overwogen dat het dossier een zaakoverzicht van het CJIB bevat. De beslissing van de kantonrechter is dan ook niet deugdelijk gemotiveerd. Het hof zal eisers bezwaren alsnog bespreken.
5. Niet in geding is dat eiser een kartonnen doos buiten de daarvoor bestemde inzamelvoorziening heeft neergezet. Daarmee staat de overtreding vast. Ter beoordeling van het hof is of verweerder, gezien de door eiser geschetste omstandigheden, had moeten afzien van oplegging van een boete.
6. Voorop moet worden gesteld dat het enkele feit dat een afvalcontainer vol is niet maakt dat afval in strijd met de regels mag worden aangeboden. Ongemak en hinder die ongetwijfeld ontstaan wanneer afval tijdelijk thuis moet worden opgeslagen of naar een andere locatie moet worden vervoerd, zijn evenmin een vrijbrief om afval buiten de containers te plaatsen. Overigens merkt het hof op dat als de voorzieningen op deze locatie geregeld (over)vol zijn, het op eisers weg ligt daarvan melding te maken bij de gemeente en, indien het probleem stelselmatig blijkt en er geen verbetering optreedt, een klachtenprocedure te starten. Niet gesteld of gebleken is dat hij die opties heeft benut. Bij die stand van zaken kan niet worden gezegd dat verweerder zijn zorgplicht zodanig heeft verzaakt dat eiser in redelijkheid niet kan worden verweten dat hij de overtreding heeft begaan.
7. Voor zover eiser ten onrechte veronderstelde dat karton nog altijd bij het grofvuil mocht worden aangeboden, komen de gevolgen daarvan voor zijn rekening. Nog ervan afgezien dat niet is gebleken dat dit in het verleden inderdaad was toegestaan, volgt uit de aanwezigheid ter plaatse van een speciale inzamelvoorziening voor karton en papier dat dozen uitsluitend via die voorziening mogen worden aangeboden. Overigens wilde eiser de doos ook in de papiercontainer doen; eerst toen deze vol bleek heeft hij de doos naast de container neergezet.
8. Dat het aantal opgelegde boetes sterk is toegekomen en, kennelijk navenant daaraan, het aantal bezwaarprocedures, betekent niet dat iedere opgelegde boete onrechtmatig is. Dat dit voor verweerder aanleiding had moeten zijn om te toetsen of zijn regelgeving mogelijk onbehoorlijk is, zoals eiser stelt, kan in deze procedure niet worden getoetst. In ieder geval leidt een toename van het aantal boetes en/of bezwaarprocedures niet (automatisch) tot de conclusie dat een individuele opgelegde boete onrechtmatig of onbehoorlijk is.
9. Eisers beroep op schending van het gelijkheidsbeginsel treft geen doel. Dat op bepaalde locaties verkeerd aangeboden afval wordt verwijderd, sluit - zoals namens verweerder ter zitting overigens is bevestigd - niet uit dat ook op die locaties daarvoor boetes zijn opgelegd.
10. Ter informatie van eiser merkt het hof tot slot nog op dat de hem opgelegde boete is gebaseerd op artikel 154b van de Gemeentewet. Het betreft een zgn. ‘bestuurlijke boete overlast openbare ruimte’. In artikel 154k, lid 2, van de Gemeentewet is bepaald dat een aantal procedurevoorschriften uit de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (de ‘Wet Mulder’) van overeenkomstige toepassing is. Eiser heeft terecht opgemerkt dat het CJIB in deze procedure geen rol speelt.
11. Het hof komt tot de slotsom dat de bezwaren van eiser tegen de opgelegde boete geen doel treffen. De kantonrechter heeft het beroep tegen de beslissing van verweerder op het bezwaar terecht ongegrond verklaard. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom bevestigen, waarbij de gebrekkige motivering van die beslissing zal worden verbeterd.