ECLI:NL:GHARL:2022:10174

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
28 november 2022
Publicatiedatum
28 november 2022
Zaaknummer
GEMW 200.303.459/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.11 APV AmsterdamArt. 154b Gemeentewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging bestuurlijke boete wildplassen in openbare ruimte ondanks coronamaatregelen

Eiser werd een bestuurlijke boete opgelegd wegens wildplassen op 20 juni 2020 nabij het viaduct Europaboulevard in Amsterdam. De overtreding betrof het doen van de natuurlijke behoefte aan de openbare weg, in dit geval een pad in het Beatrixpark dat als openbare weg wordt aangemerkt.

Eiser betwistte de overtreding en stelde dat hij zich niet aan een openbare weg bevond, maar in het park, en voerde overmacht aan vanwege de coronamaatregelen die openbare toiletten en horecagelegenheden ontoegankelijk maakten. Het hof oordeelde dat het pad wel degelijk als openbare weg geldt en dat eiser zichtbaar was vanaf die weg toen hij plaste.

Verder oordeelde het hof dat eiser rekening had kunnen houden met zijn aandrang en de coronamaatregelen door zijn wandeling anders in te plannen of op andere tijdstippen te maken. Hierdoor kon hem de overtreding worden verweten. Het hof bevestigde de beslissing van de kantonrechter en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitkomst: Bestuurlijke boete van €140 wegens wildplassen wordt bevestigd; beroep en verzoek om proceskostenvergoeding worden afgewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: GEMW 200.303.459/01
Uitspraak d.d.
: 28 november 2022
Arrestop het hoger beroep tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam van 4 november 2021, betreffende

[eiser] (hierna: eiser),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van eiser is [naam1] , gevestigd te [vestigingsplaats] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van eiser ongegrond verklaard. Dit beroep was ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna te noemen: verweerder) naar aanleiding van de oplegging van een bestuurlijke boete aan eiser op grond van artikel 154b van de Gemeentewet met kenmerk S-172094/55552047. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen door de kantonrechter.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van eiser heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter.
Eiser heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht en gevraagd om een proceskostenvergoeding. Verder is gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen.
Verweerder heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen.
Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Na afloop van de schriftelijke fase is nog een brief van verweerder ontvangen. Die is in kopie toegestuurd aan de gemachtigde van eiser.
De zaak is behandeld op de zitting van 14 november 2022. Eiser en zijn gemachtigden [naam2] en [naam3] zijn verschenen. Verweerder is vertegenwoordigd door [naam4] en [naam5] .

De beoordeling

1. De gronden in hoger beroep richten zich tegen de beschikking met voormeld kenmerk, waarbij aan eiser een boete van € 140,- is opgelegd voor overtreding van artikel 5.11, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening 2008 (APV Amsterdam). Deze overtreding zou zijn begaan op 20 juni 2020 op De Groene Zoom ter hoogte van het viaduct Europaboulevard in Amsterdam.
2. Artikel 5.11, eerste lid, van de APV Amsterdam luidt als volgt:
“Het is verboden op of aan de weg buiten een urinoir of andere toiletgelegenheid datgene te verrichten waarvoor een toiletgelegenheid is bestemd.”
3. Een buitengewoon opsporingsambtenaar (boa) heeft in het door hem opgestelde brondocument de volgende verklaring opgenomen:
“Ik zag dat overtreder op bovengenoemde locatie, gelegen binnen de bebouwde kom, op grond/aarde voor viaductwand zijn natuurlijke behoefte deed. Ik zag namelijk dat overtreder daar urineerde. Ik zag namelijk dat (het hof begrijp: deze) manspersoon voor een viaductwand stond met zijn linkerhand vermoedelijk zijn geslachtsdeel vasthield, rechts over zijn schouder omkeek toen wij kwamen aanrijden en een urinestraal ter hoogte van zijn geslachtsdeel op de grond/aarde straalde waar ik een donkere kring van kennelijk urine zag toen hij klaar was zijn gulp dichtdeed.”
4. Namens eiser wordt in de eerste plaats betwist dat de overtreding is begaan. In de APV Amsterdam is wildplassen slechts verboden op plaatsen op of aan de openbare weg. Eiser bevond zich in het Beatrixpark en plaste daar tegen een boom. Een openbare weg was niet in de buurt.
5. Het hof volgt eiser niet in dit betoog. Eiser heeft in het beroepschrift tegen de beslissing van verweerder op het bezwaarschrift zelf verklaard dat hij op de Groene Zoom vlakbij de stoep stond toen hij zijn behoefte deed, ongeveer 1 meter richting de aanwezige struiken. Het (voor het publiek opengestelde) pad door het Beatrixpark kan als openbare weg in de zin van artikel 5.11, eerste lid, van de APV worden aangemerkt. Vanaf dit pad was zichtbaar dat eiser zijn natuurlijke behoefte deed. Gelet hierop heeft eiser zijn natuurlijke behoefte gedaan aan de openbare weg. De overtreding is begaan.
6. Eiser stelt zich verder op het standpunt dat hem van de overtreding geen verwijt kan worden gemaakt. Schuld ontbreekt, eiser heeft uit overmacht gehandeld. Eiser is al enigszins op leeftijd en het is algemeen bekend dat veel mensen naarmate zij ouder worden vaker onverwacht naar het toilet moeten. Eiser maakte een lange recreatieve wandeling en belandde zodoende in deze situatie. Openbare toiletten zijn er niet in de directe omgeving, althans waren deze gelet op het late tijdstip inmiddels gesloten. Ook kon eiser geen gebruikmaken van een toilet in een horecagelegenheid, omdat deze vanwege de coronamaatregelen alleen op afspraak mochten worden bezocht. Gezien deze uitzonderlijke omstandigheden verzoekt eiser om restitutie van de boete.
7. Het hof stelt vast dat eiser ervan op de hoogte was dat restaurants hem vanwege de coronamaatregelen niet konden toelaten. Ook wist eiser dat hij relatief vaak een plotselinge aandrang heeft om te urineren. Met deze omstandigheden had hij rekening kunnen en moeten houden, in die zin dat hij zijn wandeling die dag op zodanige wijze had moeten vormgeven dat het begaan van de overtreding kon worden voorkomen. Dat had gekund door te kiezen voor een of meer kortere wandelingen in plaats van een lange wandeltocht. Ook had eiser zijn wandeling op een ander tijdstip kunnen plannen. Namens eiser is op zitting namelijk uitgebreid toegelicht dat er overdag wél voldoende openbare toiletten geopend zijn op het afgelegde traject, ook gedurende de periode waarin de coronamaatregelen golden. Gelet op het voorgaande kan niet worden gezegd dat het begaan van de overtreding eiser niet kan worden verweten.
8. De bezwaren missen doel. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter bevestigen.
9. Nu eiser niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020 en 1 april 2021, vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786).

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om een proceskostenvergoeding af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Huizenga als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.