Partijen, voormalige partners en ouders van twee minderjarige kinderen, zijn in geschil over de hoogte van de kinderalimentatie. De rechtbank had bepaald dat de man een bijdrage van €206 per kind per maand moest betalen. De man ging in hoger beroep met grieven over de vastgestelde behoefte van de kinderen, zijn draagkracht en de zorgkorting.
De man stelde dat zijn inkomen sinds zijn verhuizing naar het buitenland in 2016 minimaal was en dat de behoefte van de kinderen lager moest worden vastgesteld. Hij bracht echter geen bewijsstukken in om zijn inkomen en uitgaven te onderbouwen, ondanks herhaalde verzoeken en toezeggingen. De vrouw leverde inkomensgegevens waaruit bleek dat zij zelf geen ruimte had om bij te dragen.
Het hof oordeelde dat door het ontbreken van financiële informatie van de man zijn betwisting onvoldoende was gemotiveerd. Ook was er geen sprake van reguliere omgang die een zorgkorting zou rechtvaardigen. De rechtbank had de behoefte van de kinderen terecht vastgesteld en de draagkracht van de man voldoende geacht. Het verzoek tot een betalingsregeling voor achterstallige alimentatie werd afgewezen. Het hof bekrachtigde de beschikking van de rechtbank en wees het hoger beroep af.