ECLI:NL:GHARL:2022:10589

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
25 november 2022
Publicatiedatum
9 december 2022
Zaaknummer
21-002361-20
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22b SrArt. 57 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor ontucht met minderjarige beschikbaar voor seksuele handelingen tegen betaling

In hoger beroep heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland vernietigd en opnieuw recht gedaan. De verdachte werd beschuldigd van het plegen van ontucht met een minderjarige die zich beschikbaar stelde tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling, gepleegd in de periode van september tot december 2018.

De bewezenverklaring omvatte dat verdachte ontucht heeft gepleegd met het slachtoffer, geboren in 2001, waarbij hij zijn penis in haar vagina bracht. De rechtbank veroordeelde verdachte eerder tot een gevangenisstraf waarvan een deel voorwaardelijk, maar het hof legde een andere straf op.

Het hof oordeelde dat een werkstraf niet volstaat en dat een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend is. Gezien de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder psychische hulp en het lange tijdsverloop sinds het delict, werd gekozen voor een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden met een proeftijd van twee jaar.

De strafoplegging werd mondeling gemotiveerd en is in overeenstemming met de ernst van het feit en de persoon van verdachte. Verdachte werd vrijgesproken van overige tenlasteleggingen die niet bewezen konden worden.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden met een proeftijd van twee jaar wegens ontucht met een minderjarige.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-002361-20
Uitspraak d.d.: 25 november 2022
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden,
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 7 juli 2020 met parketnummer 18-127288-19 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1] 1982 ,
wonende te [adres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 25 november 2022 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van Pro het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot bevestiging van de bewezenverklaring, tot vernietiging van de opgelegde straf, met veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van zestig dagen, waarvan negenenvijftig dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, en tot een taakstraf van honderdtwintig uren, subsidiair zestig dagen hechtenis. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. M.A.J. van der Klaauw, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De meervoudige strafkamer in de rechtbank Noord-Nederland heeft bij vonnis van 7 juli 2020 de verdachte ter zake hetgeen hem – ná wijziging op 23 juni 2020 – is tenlastegelegd veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negentig dagen, waarvan vijfenzeventig dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere strafoplegging komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is -ná wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg op 23 juni 2020- tenlastegelegd dat:
hij in of omstreeks de periode van 28 juli 2018 tot en met 19 december 2018, te [plaatsen] , ontucht heeft gepleegd met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 2001 die zich beschikbaar stelde tot het verrichten van een of meer seksuele handelingen met een derde tegen betaling en die de leeftijd van zestien jaren maar nog niet de leeftijd van achttien jaren had bereikt, te weten het brengen van zijn penis in haar vagina, anus en/of mond.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen met betrekking tot het bewijs

De verdediging heeft ten aanzien van de bewezenverklaring geen inhoudelijke verweren gevoerd en zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.
Het hof volstaat ten aanzien van het bewijs van het na te melden bewezen verklaarde feit met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit.
De opgave van bewijsmiddelen luidt als volgt:
1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van het hof, d.d. 25 november 2022;
2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor van getuige [slachtoffer] , d.d. 13 december 2018, opgenomen op pagina 26 van het dossier van de politie Eenheid Noord-Nederland, Dienst Regionale Recherche, onder nummer [nummer] , onderzoek [naam] , gesloten en gedagtekend op 14 mei 2019 door brigadier [brigadier] .

Bewezenverklaring

Door bovenstaande wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij in de periode van september 2018 tot en met 19 december 2018, te [plaatsen] , ontucht heeft gepleegd met [slachtoffer] geboren op [geboortedatum 2] 2001 , die zich beschikbaar stelde tot het verrichten van een of meer seksuele handelingen met een derde tegen betaling en die de leeftijd van zestien jaren maar nog niet de leeftijd van achttien jaren had bereikt, te weten het brengen van zijn penis in haar vagina.
Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
ontucht plegen met iemand die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling en die de leeftijd van zestien jaren maar nog niet de leeftijd van achttien jaren heeft bereikt, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf

Het hof heeft onmiddellijk na het onderzoek ter terechtzitting uitspraak gedaan in aanwezigheid van verdachte en zijn raadsman, mr. M.A.J. van der Klaauw. De strafoplegging is toen mondeling gemotiveerd.
Het hof heeft geconstateerd dat voor het bewezenverklaarde feit, gezien het bepaalde in artikel 22b Wetboek van Strafrecht niet volstaan kan worden met een werkstraf. Naast een werkstraf dient een (in elk geval deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf te worden opgelegd. Gezien de uitzonderlijke persoonlijke omstandigheden van verdachte acht het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet wenselijk, zelfs niet voor een dag. Verdachte is zich terdege bewust van de fout die hij heeft gemaakt. Het gebeuren heeft zijn leven helemaal op de kop gezet, hij heeft in de afgelopen jaren een totaal teruggetrokken bestaan geleid, is gestopt met zijn werk en leven buiten. Zijn angst voor de gevangenis is groot. Psychische hulp is ingeschakeld. Het tijdverloop (vier jaren zijn verstreken sinds het tenlastegelegde) speelt daarnaast een rol. De strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Gelet hierop acht het hof enkel een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57 en 248b van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
3 (drie) maanden.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Aldus gewezen door
mr. M.C. van Linde, voorzitter,
mr. M.C. Fuhler en mr. M. van der Horst, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. A.G. Veenstra, griffier,
en op 25 november 2022 ter openbare terechtzitting uitgesproken.