Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoeker in hoger beroep,
De Financiële Hulpverlener B.V.,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Verzoeker is sinds 2015 onder bewind gesteld vanwege zijn geestelijke en/of lichamelijke toestand. Hij vroeg in 2021 om opheffing van het bewind en ontslag van de bewindvoerder, maar dit verzoek werd door de kantonrechter afgewezen. Verzoeker ging hiertegen in hoger beroep met twee grieven: opheffing van het bewind en ontslag van de bewindvoerder, en subsidiair beperking van de duur van het bewind.
Tijdens de procedure gaf verzoeker aan dat zijn situatie verbeterd is, hij schulden heeft afgelost, en hij weer in staat zou zijn zijn vermogensrechtelijke belangen te behartigen. De bewindvoerder stelde echter dat het bewind noodzakelijk blijft omdat verzoeker nog niet zelfstandig zijn financiën kan beheren, zoals bleek uit het stopgezette zelfredzaamheidstraject en recente financiële problemen.
Het hof oordeelt dat verzoeker onvoldoende heeft aangetoond dat de lichamelijke of geestelijke toestand die aanleiding was voor het bewind is verdwenen. De positieve ontwikkelingen zijn te recent en het stopgezette traject toont aan dat zelfstandig beheer nog niet mogelijk is. Ook is er geen reden om de bewindvoerder te ontslaan, aangezien deze zijn taken naar behoren vervult.
De subsidiaire grief om een maximale duur van het bewind van een half jaar wordt eveneens afgewezen, omdat het hof geen aanleiding ziet een termijn te stellen. Verzoeker kan na een succesvol zelfredzaamheidstraject opnieuw een verzoek tot opheffing indienen. De beslissing van de kantonrechter wordt dan ook bekrachtigd.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beschikking en wijst het verzoek tot opheffing van het bewind en ontslag van de bewindvoerder af.