ECLI:NL:GHARL:2022:11024

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
20 december 2022
Publicatiedatum
21 december 2022
Zaaknummer
GEMW 200.307.423/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 154b GemeentewetArt. 8 lid 1 Afvalstoffenverordening 2009
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging bestuurlijke boete voor onjuist aanbieden afvalstoffen in Amsterdam

Eiser kreeg een bestuurlijke boete opgelegd van €95 wegens het onjuist aanbieden van huishoudelijk afval op 20 augustus 2020 in Amsterdam. Op een kartonnen doos met naam- en adresgegevens van eiser was afval aangetroffen buiten de daarvoor bestemde inzamelvoorziening. Eiser betwistte niet dat de doos van hem was, maar ontkende de overtreding te hebben begaan en stelde dat hij milieubewust met afval omgaat.

Het hof overwoog dat het bewijsvermoeden geldt dat degene aan wie afval kan worden herleid ook de overtreder is, tenzij aannemelijk wordt gemaakt dat dit niet het geval is. Eiser heeft dit niet voldoende onderbouwd en slechts vaag gesuggereerd dat huisgenoten of buurtbewoners de doos hebben geplaatst. Dit weerlegt het bewijsvermoeden niet.

Daarnaast kan de overtreding ook aan eiser worden toegerekend als een huisgenoot de afvalstof verkeerd heeft aangeboden, bijvoorbeeld bij gezamenlijke afvalverzorging in een woning. Het hof bevestigde daarom de beslissing van de kantonrechter en handhaafde de boete.

De uitspraak benadrukt het belang van een concrete en onderbouwde weerlegging van het bewijsvermoeden en bevestigt de bestuursrechtelijke verantwoordelijkheid voor het onjuist aanbieden van afvalstoffen.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de bestuurlijke boete van €95 wegens het onjuist aanbieden van afvalstoffen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: GEMW 200.307.423/01
Uitspraak d.d.
: 20 december 2022
Arrestop het hoger beroep tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam van 11 januari 2022, betreffende

[eiser] (hierna: eiser),

wonende te [woonplaats] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van eiser ongegrond verklaard. Dit beroep was ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna te noemen: verweerder) naar aanleiding van de oplegging van een bestuurlijke boete aan eiser op grond van artikel 154b van de Gemeentewet met kenmerk [nummer1] .

Het verloop van de procedure

Eiser heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Eiser heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
Verweerder heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan eiser is een bestuurlijke boete opgelegd van € 95,- voor een overtreding van artikel 8, eerste lid, van de Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Amsterdam houdende regels omtrent afvalstoffen (Afvalstoffenverordening 2009, hierna: de Afvalstoffenverordening). De overtreding zou zijn begaan op 20 augustus 2020 ter hoogte van de Jekerstraat 106 in Amsterdam.
2. Artikel 8, eerste lid, van de Afvalstoffenverordening luidt als volgt:
“Het is de gebruiker van een perceel, voor wie krachtens artikel 4, vierde lid een inzamelmiddel of inzamelvoorziening of brengdepot is aangewezen, verboden de huishoudelijke afvalstoffen anders aan te bieden dan met behulp van het betreffende inzamelmiddel of de betreffende inzamelvoorziening of het betreffende brengdepot.”
3. In een door of onder verantwoordelijkheid van een buitengewoon opsporingsambtenaar opgesteld overtredingsrapport is de volgende verklaring van een toezichthouder opgenomen:
“Ik zag dat op bovengenoemde locatie huishoudelijk afval, te weten een kartonnen doos, niet op de voorgeschreven wijze werd aangeboden ter inzameling via een inzamelvoorziening voor een groep percelen, te weten een ondergrondse container. De wijze waarop het afval werd aangeboden was naast de ondergrondse afvalcontainer op de openbare weg. Het feit dat overtreder dit afval aanbood bleek mij uit de correspondentiegegevens van de betrokkene die op de doos zijn geschreven.”
4. Het overtredingsrapport bevat verder foto’s waarop en aantal (deels ondergrondse) containers zichtbaar is met daarnaast – onder meer – een aantal op het trottoir geplaatste kartonnen dozen. Verder is op één van de foto’s een witte verzenddoos te zien waarop de naam- en adresgegevens van eiser zijn geschreven.
5. Eiser betwist niet dat de doos in zijn bezit is geweest. Hij stelt echter dat hij niet degene is die de doos op straat heeft geplaatst. Eiser gaat milieubewust met zijn afval om. Hij heeft navraag gedaan bij zijn huisgenoten en buurtbewoners, maar is er niet achter gekomen hoe deze doos op straat is beland. Eiser stelt dat van hem wordt gevraagd om te bewijzen dat hij onschuldig is, terwijl hij daarvoor niet de mogelijkheid heeft. Hij vindt het onrechtvaardig dat hij wordt bestraft voor een overtreding die hij niet heeft begaan.
6. Niet in geding is dat op voormelde datum en tijd een kartonnen doos op straat is aangetroffen met daarop de naam- en adresgegevens van eiser. Vast staat dan ook dat deze afvalstof op onjuiste wijze is aangeboden, namelijk buiten de daarvoor bestemde inzamelvoorziening.
7. Gelet op wat is aangevoerd ziet het hof zich gesteld voor de vraag of eiser als overtreder kan worden aangemerkt. In dat verband is van belang dat in de regel mag worden aangenomen dat de persoon tot wie de aangetroffen afvalstoffen kunnen worden herleid, ook de overtreder is. Dat is anders indien die persoon aannemelijk maakt dat hij niet degene is geweest die het te handhaven voorschrift heeft geschonden. Naast de fysieke overtreder kan onder omstandigheden ook degene die de overtreding niet zelf feitelijk begaat, maar aan wie de handeling wel is toe te rekenen, voor de overtreding verantwoordelijk worden gehouden en derhalve als overtreder worden aangemerkt (vgl. de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 11 november 2015, vindplaats op rechtspraak.nl ECLI:NL:RVS:2015:3447).
8. Anders dan eiser stelt, wordt van hem niet verwacht dat hij onomstotelijk aantoont dat hij de overtreding niet heeft begaan. Het bewijsvermoeden dat degene tot wie de afvalstoffen kunnen worden herleid ook de overtreder is, kan worden weerlegd door het aannemelijk maken van het tegendeel. Dat kan bijvoorbeeld door het geven van een concrete, gedetailleerde, logische en met objectieve omstandigheden onderbouwde verklaring voor het, zonder toedoen van de beboete persoon, belanden van de aangetroffen afvalstoffen op die plek. Ook zou met objectieve omstandigheden aannemelijk kunnen worden gemaakt dat hij of zij niet in de gelegenheid was om de aangetroffen afvalstoffen op die plek achter te laten. Als daarmee voldoende twijfel ontstaat over de aanname op grond van het bewijsvermoeden dat hij de overtreder is, dan is het vervolgens weer aan het bestuursorgaan om die twijfel en het geleverde tegenbewijs te weerleggen. In dat geval kan het bestuursorgaan niet langer volstaan met een beroep op het bewijsvermoeden (vgl. ABRvS 1 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1558).
9. Eiser heeft in de bezwaarfase een aantal mogelijkheden geopperd ten aanzien van de wijze waarop de doos zonder zijn toedoen op straat is terechtgekomen. Zo zou één van eisers huisgenoten of een buurtbewoner de doos naar buiten kunnen hebben gebracht, hoewel zij dat ontkennen. Met het enkel opperen van deze niet nader onderbouwde suggesties heeft eiser het bewijsvermoeden dat hij als overtreder kan worden aangemerkt niet weerlegd. Daar komt bij dat ook als niet eiser maar één van zijn huisgenoten een van eiser afkomstige afvalstof verkeerd zou hebben aangeboden, de gevolgen daarvan voor rekening en risico van eiser kunnen komen, bijvoorbeeld wanneer – zoals bij het delen van een woning vaak het geval is – onderling is afgesproken dat de bewoners bij toerbeurt zorgdragen voor het afvoeren van gemeenschappelijk afval (vgl. ABRvS 25 september 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1279). In dat geval kan het onjuist aanbieden van afval aan eiser worden toegerekend.
10. De bezwaren van eiser treffen geen doel. De boete is op goede gronden aan eiser opgelegd. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter bevestigen.
De beslissing
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Huizenga als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.