De man en vrouw zijn ouders van een meerderjarig kind waarvoor kinderalimentatie is vastgesteld. De man verzocht om vernietiging van de alimentatieverplichting vanaf 1 juli 2007, stellende dat hij geen draagkracht heeft en dat de vrouw geen belang heeft bij betaling vanwege haar bijstandsuitkering.
Het hof verwijst naar de eerdere beschikking van de rechtbank Overijssel die het verzoek van de man afwees. De man heeft in hoger beroep geen nieuwe financiële stukken overgelegd en onvoldoende inzicht gegeven in zijn draagkracht. Ook zijn stelling dat hij mocht vertrouwen op het niet meer hoeven betalen faalt, mede omdat incasso-inspanningen via beslaglegging zijn aangetoond.
Het hof oordeelt dat het recht op bijstandsuitkering geen reden is om de alimentatieplicht te verminderen of te laten vervallen. De vrouw heeft belang bij de alimentatie, ook omdat de gemeente de uitkering kan korten met het alimentatiebedrag. De man heeft onvoldoende feitelijke onderbouwing gegeven voor zijn stelling dat betaling onrechtmatig zou zijn.
Alle grieven van de man falen, de beschikking van de rechtbank wordt bekrachtigd en de man wordt ambtshalve veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep. De kosten worden vastgesteld op € 2.228,- en zijn uitvoerbaar bij voorraad verklaard.