Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoekster in hoger beroep,
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat,
3.De feiten
- [de minderjarige1] , geboren [in] 2007 te [woonplaats1] , en
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De zaak betreft het hoger beroep tegen de verlenging van de ondertoezichtstelling van een minderjarige, [de minderjarige2], tot 5 april 2023. De moeder is het niet eens met deze verlenging en stelt dat het goed gaat met het kind thuis en op school, en dat er geen noodzaak is voor voortzetting van de maatregel. Zij wijst op het gebrek aan vertrouwen in de hulpverlening en het feit dat het kind nog niet toe is aan contact met de vader.
De gecertificeerde instelling (GI) voert verweer en benadrukt dat de noodzakelijke hulpverlening nog niet van de grond is gekomen, mede door het gebrek aan vertrouwen van de moeder en het kind in de hulpverleners. Op school vertoont het kind grensoverschrijdend gedrag en is er sprake van een zorgelijke situatie. Het contact met de vader ontbreekt nog steeds, wat nadelig is voor de identiteitsontwikkeling van het kind.
Het hof concludeert dat de gronden voor de ondertoezichtstelling nog steeds aanwezig zijn. De situatie van het kind is zorgelijk en de doelen van de ondertoezichtstelling, zoals het herstellen van contact met de vader en het verkrijgen van zicht op de thuissituatie, zijn nog niet bereikt. De verlenging wordt daarom bekrachtigd. Onder regie van de GI kan de moeder binnen een aanvaardbare termijn laten zien dat zij de verzorging en opvoeding van het kind kan dragen.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de verlenging van de ondertoezichtstelling van de minderjarige tot 5 april 2023.