Op 3 april 2019 duwde verdachte zijn buurman met kracht tegen de schouders, waardoor deze ten val kwam en letsel opliep. Dit gebeurde in het kader van een langdurige burenruzie na een woordenwisseling.
De verdediging voerde aan dat verdachte geen opzet had, en stelde subsidiair dat sprake was van noodweer, putatief noodweer of psychische overmacht. Het hof oordeelde dat verdachte willens en wetens de kans aanvaardde dat de duw letsel zou veroorzaken en verwierp het verweer van noodweer en psychische overmacht vanwege onvoldoende bewijs van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding of een onweerstaanbare drang.
De politierechter had verdachte schuldig verklaard zonder strafoplegging en de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding niet-ontvankelijk verklaard. Het hof vernietigde dit vonnis en legde een voorwaardelijke geldboete van €150 op met een proeftijd van twee jaar. De vordering tot schadevergoeding werd opnieuw niet-ontvankelijk verklaard en verwezen naar de burgerlijke rechter.
Het hof nam de context van de burenruzie mee, maar benadrukte dat het fysieke geweld door verdachte was geïnitieerd en ontoelaatbaar. Verdachte had geen eerdere soortgelijke veroordelingen. De geldboete werd geheel voorwaardelijk opgelegd om herhaling te voorkomen.