Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2022:11282

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
12 december 2022
Publicatiedatum
9 januari 2023
Zaaknummer
08-242054-21
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 530 SvArt. 9a SrWet tarieven in strafzaken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vergoeding reiskosten en kosten verzoekschrift na sepot strafzaak

Appellante verzocht bij de rechtbank om vergoeding van €7,79 aan reiskosten en een vergoeding voor de kosten van het opstellen en indienen van het verzoekschrift in een strafzaak die was geseponeerd wegens onvoldoende bewijs. De rechtbank kende een totaalbedrag van €22,79 toe.

Appellante ging in hoger beroep tegen deze beschikking. Het hof behandelde het hoger beroep en stelde vast dat de strafzaak zonder oplegging van straf of maatregel was geëindigd en dat er geen toepassing was gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. Op grond van artikel 530, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering heeft de gewezen verdachte recht op vergoeding van gemaakte reis- en verblijfkosten.

Hoewel het hof een scheve verhouding zag tussen de geringe reiskosten en de forfaitaire vergoeding voor het verzoekschrift, besloot het hof op grond van billijkheid en landelijke aanbevelingen het standaardbedrag van €680 toe te kennen, omdat de zaak in twee instanties was behandeld. Het hof vernietigde de beschikking van de rechtbank en kende appellante een vergoeding van in totaal €687,79 toe.

Uitkomst: Het hof kent appellante een vergoeding van €687,79 toe voor reiskosten en kosten van het verzoekschrift.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
AV-nummer: 000648-22
Parketnummer: 08-242054-21
Uitspraak d.d.: 12 december 2022
Beschikkingvan de meervoudige raadkamer op het hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 30 maart 2022 op het verzoek ex artikel 530 van Pro het Wetboek van Strafvordering van:

[appellante] ,

geboren op [geboortedatum] 1995 te [geboorteplaats] ,
te dezer zake woonplaats kiezende te [adres]
,
hierna te noemen: appellante.

Procesgang

Bij een op 5 januari 2022 door de rechtbank ontvangen verzoekschrift heeft appellante gevraagd om een vergoeding uit ’s Rijks kas van € 7,79 voor in een strafzaak gemaakte reiskosten, zoals nader in het verzoekschrift omschreven. Daarnaast heeft appellante verzocht om een vergoeding voor de kosten van het opstellen en behandelen van het verzoekschrift.
De rechtbank heeft bij voormelde beschikking het verzoek toegewezen tot een bedrag van in totaal € 22,79, inclusief € 15,- als vergoeding voor de kosten van het opstellen en indienen van het verzoekschrift.
Namens appellante is op 6 april 2022 hoger beroep tegen die beschikking ingesteld.
Het hoger beroep is op 28 november 2022 door het hof in het openbaar in raadkamer behandeld, waarbij zijn gehoord de advocaat-generaal en namens appellante mr. Van Nimwegen.

Beoordeling van het verzoek

Bij brief van 26 november 2021 heeft de officier van justitie aan appellante medegedeeld dat de aan haar opgelegde strafbeschikking is ingetrokken en dat de zaak is geseponeerd, omdat er onvoldoende bewijs is. De strafzaak is daarmee geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.
De raadsman heeft het verzoek in hoger beroep nader toegelicht en gepersisteerd bij het verzoek.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevraagde vergoeding ondanks de wanverhouding tussen de reiskosten en de forfaitaire vergoeding van de kosten voor het indienen van het verzoek, integraal dient te worden toegewezen.
Als de zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht wordt ingevolge artikel 530, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering op een verzoek ingediend binnen drie maanden na beëindiging van de zaak aan de gewezen verdachte of zijn erfgenamen uit ’s Rijks een vergoeding toegekend voor zijn ten behoeve van het onderzoek en de behandeling van de zaak gemaakte reis- en verblijfkosten, berekend op de voet van het bij en krachtens de Wet tarieven in strafzaken bepaalde.
De gevraagde vergoeding van € 7,79 voor de gemaakte reiskosten komt voor vergoeding in aanmerking.
Hoewel het de voorkeur verdient dat voor een dergelijk klein bedrag een alternatief voor een procedure als deze zou bestaan – het hof is met de rechtbank en de advocaatgeneraal van oordeel dat sprake is van een scheve verhouding met de forfaitaire vergoeding voor het opstellen en indienen van een verzoekschrift – zal het hof mede gelet op de landelijke aanbeveling inzake verzoekschriften schadevergoeding als vergoeding voor de kosten verbonden aan het opstellen en behandelen van dit verzoekschrift het standaardbedrag van € 680,00 toekennen nu het in twee instanties is behandeld.
Het hof acht gronden van billijkheid aanwezig om aan appellante de navolgende vergoeding toe te kennen (voor):
- reiskosten € 7,79
- kosten verzoek
€ 680,00 +
Totaal € 687,79.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt de beschikking waarvan beroep;
Kent aan appellante toe een vergoeding ten laste van de Staat van
€ 687,79 (zeshonderdzevenentachtig euro en negenenzeventig cent).
Beveelt de griffier om bovenstaand bedrag over te maken op rekeningnummer IBAN [rekeningnummer] , ten name van [naam] , onder vermelding van: ‘schadevergoeding [appellante] ’.
Aldus gegeven door
mr. R.D.J. Visschers, voorzitter,
mr. N.C. van Lookeren Campagne en mr. R.R.H. Laurens, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. E. van der Zandt, griffier,
door de voorzitter en de griffier ondertekend en op 12 december 2022 ter openbare zitting uitgesproken.