ECLI:NL:GHARL:2022:1263

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
15 februari 2022
Publicatiedatum
21 februari 2022
Zaaknummer
200.271.376/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake zorgregeling na bemiddeling bijzondere curator in familierechtelijke zaak

In deze civielrechtelijke zaak in het personen- en familierecht stond de zorgregeling voor drie minderjarige kinderen centraal. Het hoger beroep betrof een geschil tussen de ouders over de hoofdverblijfplaats en zorgregeling van de kinderen. Na eerdere beslissingen van de rechtbank Noord-Nederland en een tussenbeschikking van het hof, werd een bijzondere curator benoemd om de situatie te onderzoeken en te bemiddelen.

Dankzij de inspanningen van de bijzondere curator en de gecertificeerde instelling is de volledig vastgelopen situatie tussen de ouders en kinderen voorzichtig verbeterd. De ouders bereikten overeenstemming over de zorgregeling en legden deze afspraken vast in een op 1 november 2021 ondertekende overeenkomst, die door beide ouders en de kinderen werd bekrachtigd.

Het hof vernietigde de eerdere beschikking voor zover deze de zorgregeling betrof en veroordeelde de ouders tot naleving van de nieuwe regeling zoals vastgelegd in de overeenkomst. Het hof hechtte een door de griffier gewaarmerkte kopie van deze overeenkomst aan de beschikking. Tevens sprak het hof de hoop uit dat de ouders de ingezette positieve weg voortzetten, ondanks de complexiteit van de situatie en het belaste verleden.

De beslissing werd genomen zonder nadere mondelinge behandeling, omdat partijen en belanghebbenden geen wens daartoe hadden uitgesproken. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en in het openbaar uitgesproken op 15 februari 2022.

Uitkomst: Het hof vernietigt de eerdere beschikking over de zorgregeling en veroordeelt de ouders tot naleving van de door hen gemaakte zorgovereenkomst.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.271.376/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 159971)
beschikking van 15 februari 2022
inzake
[verzoeker],
wonende te [woonplaats1] ,
verzoeker in hoger beroep,
verder te noemen: de vader,
advocaat: voorheen: mr. J.J.C. Engels te Heerhugowaard, vervolgens: mr. S.M. Wolfert te Leek, thans: mr. R.A. Schütz te Leeuwarden,
en
[verweerster],
wonende te [woonplaats2] ,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. C.W. van Weert te Assen.
Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:
de gecertificeerde instelling
Stichting Leger des Heils Jeugdzorg & Reclassering,
gevestigd te Leeuwarden,
verder te noemen: de GI,
[de curator] , in zijn hoedanigheid van bijzondere curator over [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3],
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verder ook te noemen: de bijzondere curator.

1.Het verloop van het geding in hoger beroep

1.1
Voor het verloop van het geding tot 22 juni 2021 verwijst het hof naar zijn (tussen)beschikking van die datum.
1.2
Het verdere verloop blijkt uit:
- een brief van de bijzondere curator van 15 december 2021 met productie(s);
- een brief van de GI van 30 december 2021;
- een journaalbericht van mr. Schütz van 3 januari 2022;
- een journaalbericht van mr. Van Weert van 17 januari 2022 met productie(s).
1.3
Het hof acht een nadere mondelinge behandeling niet noodzakelijk en partijen en belanghebbenden hebben daartoe evenmin de wens uitgesproken. Het hof zal de zaak daarom - zoals in voornoemde (tussen)beschikking reeds aangekondigd - verder op de stukken afdoen.

2.De motivering van de beslissing

2.1
Het hof blijft bij hetgeen is overwogen in de beschikking van 22 juni 2021, voor zover hier niet anders wordt overwogen of beslist.
2.2
Bij die beschikking heeft het hof, voor zover hier van belang:
- de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 18 september 2019, bekrachtigd voor zover daarbij de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige3] bij de moeder is bepaald;
- de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 18 september 2019, vernietigd voor zover daarbij de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] bij de moeder is bepaald, en in zoverre opnieuw rechtdoende, bepaald dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] voortaan hun hoofdverblijfplaats bij de vader zullen hebben;
- alvorens te beslissen over de zorgregeling: [de curator] tot bijzondere curator over [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] benoemd;
- de bijzondere curator opgedragen aan het hof te rapporteren en te adviseren uiterlijk 1 december 2021, althans vóór deze datum schriftelijk bericht te geven over de voortgang van zijn werkzaamheden;
- bepaald dat partijen, de GI en de raad tot uiterlijk twee weken na toezending van het rapport van de bijzondere curator schriftelijk kunnen reageren, waarna de zaak verder op de stukken zal worden afgedaan, tenzij het hof, al dan niet op een gemotiveerd verzoek hiertoe van één van de partijen, aanleiding ziet om een nieuwe mondelinge behandeling te plannen;
- de beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard;
- iedere verdere beslissing aangehouden.
2.3
Blijkens de hiervoor onder 1.2 genoemde correspondentie hebben de ouders overeenstemming bereikt over hetgeen hen nog in de onderhavige procedure verdeeld hield (de zorgregeling). Zij hebben de gemaakte afspraken vastgelegd in de op 1 november 2021 door de ouders en de kinderen ondertekende overeenkomst. De vader verzoekt het hof een beslissing te geven conform de inhoud van deze overeenkomst. Uit de reactie van de moeder, ingediend bij journaalbericht van 17 januari 2022, begrijpt het hof dat de moeder zich hierbij aansluit, ondanks het feit dat zij (op termijn) graag een ruimer contact zou hebben met de twee oudste kinderen. Hieruit leidt het hof af dat partijen hun verzoek in hoger beroep dienovereenkomstig hebben gewijzigd.
2.4
Gelet hierop - alsook op de instemmende reactie van de GI - zal het hof de bestreden beschikking vernietigen voor zover het de beslissing over de zorgregeling betreft, en opnieuw beschikkende, de vader en de moeder, de een tegenover de ander, veroordelen tot naleving van de door hen getroffen regeling, zoals opgenomen in de door hen op 1 november 2021 ondertekende overeenkomst. Het hof zal een door de griffier gewaarmerkte kopie van de overeenkomst aan deze beschikking hechten.
2.5
Ten overvloede overweegt het hof als volgt.
Dankzij de inspanningen en bemiddeling van de bijzondere curator heeft de - tot voor kort volledig vastgelopen - situatie van de ouders en de kinderen heel voorzichtig een positieve wending gekregen. De ouders zijn het erover eens dat de door hen gemaakte afspraken nu gecontinueerd moeten worden. Het hof vindt het positief van de ouders dat zij deze stap zetten en dat zij samenwerken met de GI. Het hof spreekt, in het belang van [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] , de hoop en de wens uit dat de ouders voortgaan op de ingezette weg. Dit zal, gezien het belaste verleden en de systeemproblematiek, niet altijd gemakkelijk zijn voor de ouders (en de kinderen). Het is daarom belangrijk dat de ouders de hulp die hun wordt geboden blijven accepteren zodat niet alleen hun eigen situatie maar ook die van de kinderen verder kan verbeteren.

3.De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof als volgt beslissen.

4.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 18 september 2019, voor zover het de beslissing over de zorgregeling betreft, en (in zoverre) opnieuw beschikkende:
veroordeelt de ouders, de één tegenover de ander, tot naleving van de door hen getroffen regeling, zoals opgenomen in de door hen op 1 november 2021 ondertekende overeenkomst, waarvan een door de griffier gewaarmerkte kopie aan deze beschikking is gehecht en hiervan deel uitmaakt;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mrs. M.A.F. Veenstra, I.M. Dölle en E.F. Groot, bijgestaan door mr. H.B. Fortuyn als griffier, en is op 15 februari 2022 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.