ECLI:NL:GHARL:2022:1388

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
23 februari 2022
Publicatiedatum
23 februari 2022
Zaaknummer
Wahv 200.268.279/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 181 Wegenverkeerswet 1994artikel 2, derde lid, Besluit proceskosten bestuursrechtartikel 11 Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging boete wegens ontbreken deugdelijke snelheidsbebording op autoweg

De betrokkene kreeg een boete van €200 voor het overschrijden van de maximumsnelheid met 22 km/u op een autoweg buiten de bebouwde kom. De overtreding zou zijn vastgesteld op 7 oktober 2018 op de Rijksweg N11 te Hazerwoude met een flitspaal en lusdetector.

De betrokkene betwistte de aanwezigheid van het snelheidsbord G3 ter plaatse op het moment van de overtreding. Het dossier bevatte geen schouwrapporten of andere bewijzen die de aanwezigheid van het bord bevestigen. Het hof concludeerde dat zonder bewijs van de bebording niet kan worden vastgesteld dat het een autoweg betrof met een maximumsnelheid van 100 km/u.

Het hof wees het standpunt van de advocaat-generaal af dat de betrokkene niet in zijn belangen was geschaad door het ontbreken van het bord. Zonder het bord zou de snelheidsovertreding 42 km/u zijn geweest, wat een zwaardere overtreding betreft en mogelijk een beroep op disculpatie volgens artikel 181 Wegenverkeerswet Pro 1994 mogelijk maakt.

Daarom vernietigde het hof de beschikking en de boete, verklaarde het beroep gegrond en veroordeelde de advocaat-generaal tot vergoeding van de proceskosten van €1.345,50 aan de betrokkene.

Uitkomst: De boete wordt vernietigd wegens ontbreken van bewijs van de vereiste snelheidsbebording.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.268.279/01
CJIB-nummer
: 220520709
Uitspraak d.d.
: 23 februari 2022
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 9 augustus 2019, betreffende

[de betrokkene] B.V. (hierna: de betrokkene),

gevestigd te [vestigingsplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. C.M.J.E.P. Meerts, kantoorhoudende te Beegden.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 200,- voor: “overschrijding maximum snelheid op (auto)wegen buiten bebouwde kom, met 22 km/h”. Deze gedraging zou zijn verricht op 7 oktober 2018 om 12.15 uur op de Rijksweg N11 in Hazerwoude met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene betwist de aanwezigheid van een bord G3. Daarbij wijst de gemachtigde erop dat de gedraging is vastgesteld door middel van een flitspaal en er geen schouwrapporten zijn overgelegd, waaruit de aanwezigheid van de bebording op of rond de pleegdatum blijkt. Op Street View is aan het begin van het wegvak een bord G3 zichtbaar, maar die opname is van 2017 terwijl de datum van de gedraging 7 oktober 2018 is.
3. Uit het zaakoverzicht volgt dat de gedraging is geconstateerd door middel van een lusdetector en een flitspaal op de hiervoor buiten de bebouwde kom gelegen (auto)weg. De toegestane maximumsnelheid zou hier 100 km/h hebben bedragen. Het dossier bevat geen schouwrapporten of anderszins informatie met betrekking tot de bebording ter plaatse.
4. Het hof is van oordeel dat het dossier niet de voor de vaststelling van de gedraging noodzakelijke informatie bevat over de aanwezigheid van deugdelijke bebording ten tijde van het vaststellen van de gedraging. Bij gebreke van afdoende informatie is naar het oordeel van het hof niet met voldoende zekerheid komen vast te staan dat sprake was van een middels bord G3 aangegeven autoweg. Daarmee staat niet vast dat de maximumsnelheid ten tijde van de gedraging 100 km/h was.
5. Het hof volgt niet het (impliciete) standpunt van de advocaat-generaal dat de betrokkene niet in enig belang is geschaad door het ontbreken van andere informatie over de bebording ter plaatse. Zoals de advocaat-generaal zelf in het verweerschrift opmerkt zou de overschrijding van de maximumsnelheid bij het ontbreken van een bord G3 in dit specifieke geval 42 km/h bedragen in plaats van 22 km/h. Alsdan is sprake van een overtreding waarbij de betrokkene zich mogelijk kan disculperen met een beroep op artikel 181 van Pro de Wegenverkeerswet 1994.
6. Het voorgaande brengt mee dat niet kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht. Het hof zal de inleidende beschikking vernietigen.
7. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het beroepschrift bij de officier van justitie, het beroepschrift bij de kantonrechter, het hoger beroepschrift en de nadere toelichting op het beroep dienen in totaal 3,5 procespunten te worden toegekend. Het hof zal, met toepassing van artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, voor het telefonisch horen in administratief beroep een half punt toekennen. De waarde per punt bedraagt voor het administratief beroep € 541,- en voor het (hoger) beroep € 759,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 1.345,50 (= 1,5 x € 541,- x 0,5 + 2,5 x € 759,- x 0,5).

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt de beslissing van de officier van justitie, alsmede de beschikking waarbij onder voormeld CJIB-nummer de administratieve sanctie is opgelegd;
bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van Pro de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 1.345,50.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van Swart als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.