De betrokkene werd bij inleidende beschikking gesanctioneerd voor het overschrijden van de maximumsnelheid binnen de bebouwde kom met 27 km/u. De overtreding vond plaats op 1 april 2019 op de Ringbaan Noord in Weert. De gemachtigde voerde aan dat de officier van justitie onvoldoende op de bezwaren was ingegaan, wat een schending van het motiveringsbeginsel opleverde.
Het hof stelde vast dat de officier van justitie niet inhoudelijk op de gronden van 23 mei 2019 was ingegaan, waardoor de beslissing aan een motiveringsgebrek leed. De beslissing van de kantonrechter, die dit niet had onderkend, werd daarom vernietigd. Het hof verklaarde het beroep tegen de officier van justitie gegrond en vernietigde diens beslissing.
Vervolgens beoordeelde het hof de gronden betreffende de snelheidsovertreding zelf. Uit schouwrapporten van 10 maart en 8 mei 2019 bleek dat de bebording met A1-borden (70 km/u) op de locatie aanwezig was en correct was geplaatst. De stelling dat de schouwen te ver van de pleegdatum lagen werd verworpen. Ook het argument dat de weg eruitziet als een secundaire weg deed niet af aan de constatering dat de locatie binnen de bebouwde kom lag.
De foto's toonden aan dat het A1-bord na het kruispunt aanwezig was, waardoor het bezwaar dat de bebording werd opgeheven na het kruispunt niet slaagde. De gronden van de gemachtigde werden ongegrond verklaard en het verzoek om proceskostenvergoeding werd afgewezen. Het arrest werd uitgesproken door mr. Wijma, in aanwezigheid van de griffier.