Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoeker in het principaal hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De zaak betreft een geschil tussen een meerderjarige studerende zoon en zijn vader over de betaling van een bijdrage in studiekosten. De ouders hadden in hun ouderschapsplan een derdenbeding opgenomen dat de vader verplichtte bij te dragen aan studiekosten tot het kind 25 jaar is, mits het kind studeert met redelijke resultaten en in overleg met de ouders. Na de echtscheiding van de ouders in 2016 betaalde de vader aanvankelijk een bijdrage van €183, die in 2018 werd verhoogd naar €350 per maand.
De zoon studeerde vanaf september 2016 en werd in 2019 21 jaar. Vanaf augustus 2019 stopte de vader zonder overleg met de betaling van de bijdrage. De rechtbank wees het verzoek van de zoon om betaling af wegens onvoldoende onderbouwing van zijn behoefte en inkomsten. Het hof oordeelde echter dat de vader onvoldoende had aangetoond dat de situatie van de zoon zodanig was veranderd dat de bijdrage niet langer nodig was.
Het hof benadrukte dat het ontbreken van contact tussen vader en zoon sinds de scheiding mede aan de vader te wijten is en dat de vader zijn bijdrage niet zonder voorafgaande kennisgeving mocht stopzetten. De bijdrage wordt toegekend tot 1 februari 2022, wanneer de zoon aan zijn eindstage begint en geen verdere bijdrage meer nodig heeft. Het incidenteel hoger beroep van de vader werd afgewezen.
Uitkomst: De vader wordt veroordeeld tot betaling van een studiebijdrage van €350 per maand aan zijn zoon van 1 augustus 2019 tot 1 februari 2022.