ECLI:NL:GHARL:2022:153
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid in hoger beroep wegens verkeerde rechtsmiddel na verstekvonnis
In deze civiele zaak heeft appellant hoger beroep ingesteld tegen een vonnis van de kantonrechter van 29 augustus 2014. Het hof heeft appellant in de gelegenheid gesteld zijn ontvankelijkheid te betuigen, maar hij heeft geen gebruik gemaakt van deze mogelijkheid en verzocht eenzijdig om doorhaling van de zaak. De geïntimeerde, Intrum Nederland B.V., stemde niet in met doorhaling omdat zij haar proceskosten vergoed wenst te zien.
Het hof heeft onderzocht of appellant ontvankelijk is in het hoger beroep. In de procedure in eerste aanleg waren twee gedaagden gedagvaard: appellant en een andere partij, die wel is verschenen. Omdat de andere gedaagde is verschenen en later uit de procedure is teruggetreden, wordt het vonnis jegens appellant als een verstekvonnis beschouwd. Tegen een verstekvonnis staat het rechtsmiddel van verzet open, niet hoger beroep.
Daarom is appellant niet-ontvankelijk in het door hem ingestelde hoger beroep. Het hof veroordeelt appellant in de proceskosten van het hoger beroep, bestaande uit griffierecht en salaris advocaat, begroot op in totaal €2.827,-. Het arrest is gewezen door drie raadsheren en op 11 januari 2022 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: Appellant is niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep en veroordeeld in de proceskosten.