ECLI:NL:GHARL:2022:1599

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
1 maart 2022
Publicatiedatum
1 maart 2022
Zaaknummer
Wahv 200.270.971/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • De Witt
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:26 AwbWet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen beslissing officier van justitie over snelheidsovertreding en bebording

De betrokkene werd een sanctie van €129 opgelegd wegens overschrijding van de maximumsnelheid op de N281 buiten de bebouwde kom. De betrokkene betwistte de juiste plaatsing van de verkeersbebording die de snelheidslimiet regelt, omdat vanaf de A76 geen bord autoweg was geplaatst dat de maximumsnelheid beperkt tot 100 km/u.

De officier van justitie verwierp dit bezwaar zonder over de noodzakelijke informatie te beschikken, wat het motiveringsbeginsel schond. Het hof oordeelde dat de beslissing van de officier van justitie onvoldoende gemotiveerd was en vernietigde deze. Vervolgens onderzocht het hof of de overtreding voldoende vaststond.

Uit processen-verbaal van herschouw bleek dat de bebording op de betreffende locatie conform de wet- en regelgeving was geplaatst op data vóór en na de overtreding. Hierdoor was voldoende aannemelijk dat de bebording ook op de dag van de overtreding correct was. Het hof verklaarde het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitkomst: Het hof vernietigt de beslissing van de officier van justitie wegens onvoldoende motivering, verklaart het beroep daarop gegrond, maar verklaart het beroep tegen de snelheidsovertreding ongegrond en wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.270.971/01
CJIB-nummer
: 223702562
Uitspraak d.d.
: 1 maart 2022
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Limburg van 7 november 2019, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. C.M.J.E.P. Meerts, kantoorhoudende te Beegden.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 129,- voor: “overschrijding maximumsnelheid op (auto)wegen buiten bebouwde kom, met
15 km/h”. Deze gedraging zou zijn verricht op 20 februari 2019 om 10:44 uur op de N281 Provinciale weg, ter hoogte van hectometerpaal 28.7 in Heerlen met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde voert aan dat de officier van justitie het motiveringsbeginsel heeft geschonden. Bij de officier van justitie is aangevoerd dat de betrokkene de plaatsing van de juiste bebording betwist. De pleeglocatie is gelegen in het verlengde van de autosnelweg de A76. Komende vanaf de A76 is geen bord autoweg geplaatst dat de maximumsnelheid beperkt tot 100 km/u. Uit het dossier blijkt niet dat de bebording voor aanvang van de controle is gecontroleerd. De gemachtigde verzoekt het hof deze grond (alsnog) te behandelen.
3. In artikel 7:26, eerste lid, van de Awb is bepaald dat de beslissing op het beroep dient te berusten op een deugdelijke motivering, die bij de bekendmaking van de beslissing wordt vermeld.
4. Het hof stelt vast dat de gemachtigde in administratief beroep de plaatsing van de juiste bebording heeft betwist.
5. De motivering van de beslissing van de officier van justitie houdt onder meer in:
“Tevens geeft u aan dat uit het dossier niet blijkt dat voor aanvang van de controle de bebording is gecontroleerd. De officier van justitie overweegt dat in wetgeving en jurisprudentie is vastgelegd dat van u mag worden verwacht dat u aan de hand van feiten en/of omstandigheden een begin van bewijs aandraagt. U moet aannemelijk maken dat u de gedraging niet hebt begaan of dat deze u niet verweten kan worden. Omdat u uw stelling niet of onvoldoende hebt onderbouwd of aannemelijk gemaakt, gaat de officier van justitie uit van de juistheid van de beschikkingsgegevens. Er wordt doorslaggevende betekenis toegekend aan de waarneming van de verbalisant. Omtrent de bewijsvoering verwijst de officier van justitie naar de u eerder toegestuurde stukken.”
6. De officier van justitie heeft de aangevoerde grond wel in zijn beslissing betrokken, maar heeft deze verworpen op basis van argumenten die zijn beslissing niet kunnen dragen. Daarbij is van belang dat ten tijde van de beslissing van de officier van justitie geen specifieke informatie over de aanwezigheid van de betreffende bebording in het dossier aanwezig was, terwijl dat voor het vaststellen van de gedraging wel vereist is. Dit brengt mee dat de beslissing van de officier van justitie niet deugdelijk is gemotiveerd en daarmee niet aan de eis van artikel 7:26, eerste lid, van de Awb voldoet. Het hof zal de beslissing van de officier van justitie, met gegrondverklaring van het beroep daartegen, vernietigen.
7. Het verweer dat de gedraging nog steeds onvoldoende vaststaat bij gebreke van een schouwrapport, slaagt echter niet. De gedraging is geconstateerd op de autosnelweg N281, ter hoogte van hectometerpaal 28.7. Uit de door de advocaat-generaal overgelegde processen-verbaal van herschouw digitale flitspaal blijkt dat op 12 januari 2019 en 24 maart 2019 de bebording op de N281 ter hoogte van hectometerpaal 28.7 is gecontroleerd en dat is gebleken dat deze conform de huidige wet- en regelgeving is geplaatst. Daarmee is voldoende aannemelijk gemaakt dat dit op de dag van de constatering ook het geval was. Het beroep tegen de inleidende beschikking wordt ongegrond verklaard.
8. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020 en 1 april 2021, vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786).

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. De Witt, in tegenwoordigheid van mr. Van der Meulen als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.