De betrokkene kreeg een boete van €95 opgelegd wegens het parkeren van een motorfiets op het trottoir, een gedraging die volgens de Wegenverkeerswet 1994 verboden is. De betrokkene stelde dat de plek een particulier terrein betrof, vergelijkbaar met een oprit, en dus niet tot de openbare weg behoorde.
Het hof onderzocht of het trottoir feitelijk voor het openbaar verkeer openstond. Uit verklaringen en bewijs bleek dat de locatie vanaf de weg toegankelijk was en niet was afgesloten, ondanks dat het eigendom was van een woningbouwvereniging. Dit maakte dat het trottoir onderdeel was van de openbare weg volgens de wettelijke definitie.
De vergelijking met een oprit en een eerder arrest van de Hoge Raad over een gazon faalde, omdat het trottoir wel degelijk als voetpad en onderdeel van de openbare weg werd aangemerkt. Het hof bevestigde daarom de beslissing van de kantonrechter die het beroep ongegrond verklaarde en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af.