Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoeker in het principaal hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Partijen, beiden Syrische nationaliteit, zijn in 2020 gehuwd zonder huwelijkse voorwaarden, waardoor zij in de beperkte wettelijke gemeenschap van goederen vielen zoals sinds 2018 geldt. Na hun echtscheiding is de verdeling van hun vermogensrechtelijke afwikkeling in geschil gekomen, met name over de teruggave van gouden sieraden en een geldbedrag die de man voorafgaand aan het huwelijk aan de vrouw gaf, en de draagplicht van diverse schulden.
De man stelde dat de sieraden een bruidsgave betroffen die teruggegeven moest worden omdat het religieus huwelijk niet plaatsvond, en dat het geldbedrag onverschuldigd was betaald. Het hof oordeelde dat deze goederen buiten de huwelijksgoederengemeenschap vielen en dat het Nederlandse recht geen rechtsfiguur kent die de man recht geeft op teruggave. Ook een beroep op redelijkheid en billijkheid faalde omdat de vrouw mede de lasten van het huwelijk droeg.
Ten aanzien van de schulden aan de woningstichting, zorgverzekeraar en een bijstandsuitkering bepaalde het hof dat deze tijdens het huwelijk zijn ontstaan en daarom in de gemeenschap vallen. Partijen zijn ieder voor de helft draagplichtig, ook na ontbinding van de gemeenschap tot het moment dat de contractuele verplichtingen eindigden. Afwijking van deze gelijke verdeling werd niet gerechtvaardigd geacht.
De kosten van de procedure werden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. Het hof vernietigde het deel van de beschikking over de draagplicht van de huurschuld en bepaalde de draagplicht opnieuw, en bekrachtigde de rest van de beschikking.
Uitkomst: Het hof bepaalt dat gouden sieraden en geldbedrag niet teruggegeven hoeven te worden en wijst de draagplicht van schulden toe aan partijen ieder voor de helft.