Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoeker in het principaal hoger beroep,
verweerster in het principaal hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Partijen zijn in 2003 gehuwd onder huwelijkse voorwaarden en zijn in 2019 gescheiden. De rechtbank Midden-Nederland had partneralimentatie vastgesteld en de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden geregeld. De man ging in hoger beroep tegen de hoogte en duur van de partneralimentatie en de verdeling van vermogensbestanddelen, terwijl de vrouw incidenteel hoger beroep instelde tegen de partneralimentatie.
Het hof overwoog dat de behoefte van de vrouw is vastgesteld op 60% van het netto gezinsinkomen minus de kosten van het kind. De man had onvoldoende inzicht gegeven in zijn financiële situatie, waardoor zijn draagkracht niet kon worden vastgesteld. Gezien de ziekte van de vrouw achtte het hof limitering van de alimentatie niet gerechtvaardigd. De partneralimentatie werd vastgesteld op €8.909 netto per maand vanaf 9 december 2020.
Ten aanzien van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden bepaalde het hof dat een bedrag van €133.821 aan de vrouw moet worden voldaan. De waarde van aandelen in een BV werd buiten verrekening gelaten, en de man kon geen vergoedingsrecht voor aangebrachte auto en motor aantonen. De kosten van het hoger beroep werden gecompenseerd.
Uitkomst: Het hof stelt partneralimentatie vast op €8.909 per maand en bepaalt een verrekening van €133.821 aan de vrouw.