ECLI:NL:GHARL:2022:1860

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
9 maart 2022
Publicatiedatum
9 maart 2022
Zaaknummer
Wahv 200.297.090/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 24 RVV 1990Art. 54 RVV 1990Art. 2 Besluit proceskosten bestuursrechtArtikel 11 Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging sanctiebeschikking parkeren voor niet-bestaande in-/uitrit

De betrokkene kreeg een sanctie opgelegd van €95 voor parkeren voor een in- of uitrit op 14 januari 2020. De kantonrechter verklaarde het beroep ongegrond, maar het hof vernietigt deze beslissing.

De verlaging in het trottoir mondt uit op een parkeerstrook zonder duidelijke bestemming en is niet herkenbaar als in- of uitrit. De verlaging is smal en vermoedelijk bedoeld voor rolstoelgebruikers, waardoor motorvoertuigen er geen gebruik van kunnen maken. Hierdoor kan niet van verkeersdeelnemers worden verwacht dat zij dit als in- of uitrit herkennen.

Het hof oordeelt dat de sanctie niet gehandhaafd kan worden en vernietigt de beschikking. Tevens wordt de proceskostenvergoeding toegekend aan de betrokkene. De zaak is behandeld op 23 februari 2022 en het arrest is uitgesproken op 9 maart 2022.

Uitkomst: De sanctiebeschikking voor parkeren voor een in- of uitrit wordt vernietigd omdat de verlaging in het trottoir niet als zodanig herkenbaar is.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.297.090/01
CJIB-nummer
: 231846193
Uitspraak d.d.
: 9 maart 2022
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Limburg van 22 april 2021, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. M. Lagas, kantoorhoudende te Amsterdam.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
Er is daarnaast gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De zaak is behandeld op de zitting van 23 februari 2022. Namens mr. Lagas is verschenen O. Acar. De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door mr. [naam1] .

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 95,- voor: “Parkeren voor een in- en/of uitrit”. Deze gedraging zou zijn verricht op 14 januari 2020 om 09:28 uur op de Hereweg in Landgraaf met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde voert aan dat geen sprake is van een in- en/of uitrit. Een in- en/of uitrit leidt meestal van of naar een parkeergarage of rijbaan. In het onderhavige geval is sprake van een verlaagd trottoir dat van een voordeur naar een parkeerstrook leidt. Daarbij is de verlaging dermate smal dat motorvoertuigen daar geen gebruik van kunnen maken. De verlaging is waarschijnlijk bedoeld voor rolstoelgebruikers.
3. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Ik zag dat het voertuig stond geparkeerd voor een inrit en/of uitrit. Het betrof een in en/of uitrit naar: huisnummer 91. De doorgang naar de inrit en/of van de uitrit werd hierdoor gehinderd/geblokkeerd. Deze hinder/blokkade bleek uit: voertuig stond ervoor geparkeerd. Bij het constateren van het feit werd vastgesteld dat er gedurende een tijd van ongeveer 10 minuten geen activiteit met betrekking tot het voertuig plaatsvond. Betrokkene is reeds eerder hierover gewaarschuwd.”
4. Het dossier bevat ook een foto van de gedraging. Hierop is het voertuig van de betrokkene te zien dat staat voor een soort verlaging in het trottoir. Ook bevat het dossier een afdruk van Google Maps. Hierop is de zien dat de verlaging onderdeel is van het trottoir voor de deur van een café. De verlaging mondt uit op een parkeerstrook die niet is voorzien van belijning. Naast de parkeerstrook bevindt zich een fietsstrook en de rijbaan.
5. De onderhavige gedraging betreft een overtreding van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (hierna: RVV 1990). Op grond van dit artikel mag de bestuurder zijn voertuig niet parkeren voor een inrit of een uitrit.
6. De begrippen inrit en uitrit zijn in de wet niet (meer) gedefinieerd, omdat de veelheid van feitelijke situaties zich lastig in een definitie laat vangen. Voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een in- of uitrit, is daarom van belang of van iedere verkeersdeelnemer ter plaatse mag worden verwacht dat hij een uitmonding op duidelijk herkenbare wijze als in- of uitrit kan herkennen. Daarbij speelt de bestemming van de uitmonding (bijvoorbeeld de toegang tot een erf van een woning of bedrijfsunit) en de constructie van de uitmondingsituatie een belangrijke rol. Bij de vormgeving van een uitritconstructie kan daarbij worden gedacht aan een trottoir of fietspad langs de doorgaande weg dat op nagenoeg dezelfde hoogte en in soortgelijke verharding doorloopt over de zijweg en/of de toepassing van zogenaamde inritblokken (vergelijk het arrest van 18 mei 2018, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2018:4543).
7. Verder is van belang dat uit de totstandkomingsgeschiedenis van het RVV 1990 (Staatsblad 1990, 459 en 497) volgt dat ook wanneer de bestemming niet onmiddellijk duidelijk is, er sprake kan zijn van een in- of uitrit. Wanneer een constructie zich als in- of uitrit voordoet, kan deze als zodanig worden aangemerkt. Bij de beoordeling neemt het hof daarnaast in aanmerking dat de begrippen inrit en uitrit ook gebruikt worden in de voorrangsregeling in geval van bijzondere manoeuvres, die wordt geregeld in artikel 54 van Pro het RVV 1990. Weggebruikers moeten daarom in één oogopslag kunnen beoordelen of een uitmonding een in- of uitrit is.
8. De bestemming van de uitmonding is niet duidelijk. Hoewel de constructie van de uitmonding op zichzelf breed genoeg is om toegankelijk te zijn voor (tweewielige) motorvoertuigen, kan niet gezegd worden dat de uitmonding zich op duidelijk herkenbare wijze voordoet als in- of uitrit. De uitmonding komt uit op een parkeerstrook en niet op de fietsstrook of rijbaan die daarnaast gelegen is. Onder deze omstandigheden kan van verkeersdeelnemers niet worden verwacht de uitmonding in één oogopslag als in- of uitrit te herkennen. De gedraging kan niet worden vastgesteld.
9. Gelet op het voorgaande kan de sanctie niet in stand blijven. Het zal als volgt beslissen.
10. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het administratief beroepschrift, het beroepschrift bij de kantonrechter, het hoger beroepschrift en het verschijnen ter zitting van het hof dienen in totaal 4 procespunten te worden toegekend. Het hof zal, met toepassing van artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, voor het telefonisch horen in administratief beroep een half punt toekennen. De waarde per punt bedraagt voor het administratief beroep € 541,- en voor het (hoger) beroep € 759,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 1.544,25 ((1,5 x € 541,- x 0,5) + (3 x € 759,- x 0,5)).

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt de beslissing van de officier van justitie, alsmede de beschikking waarbij onder voormeld CJIB-nummer de administratieve sanctie is opgelegd;
bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van Pro de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 1.544,25.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Eskandari als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.