In deze strafzaak stond verdachte terecht voor verkrachting van aangeefster op een onbekende datum in een plaats. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland vernietigd en opnieuw recht gedaan. De kern van het geschil betrof de vraag of de seksuele handelingen onder dwang hadden plaatsgevonden.
Aangeefster deed aangifte en verklaarde dat zij door verdachte en medeverdachten was gedwongen tot seksuele handelingen, waarbij sprake zou zijn geweest van geweld, bedreiging en een bedreigende situatie. Het hof constateerde echter meerdere inconsistenties en onwaarschijnlijkheden in haar verklaringen, zoals tegenstrijdigheden over het aantal personen in de auto, het tijdstip en het karakter van de seksuele handelingen, en het ontbreken van steun in het dossier voor het dwangelement.
De verklaringen van verdachte en medeverdachten boden een alternatief scenario waarin de seks consensueel was en latere conflicten ontstonden over geld en sigaretten. Objectieve gegevens zoals telefoonverkeer en camerabeelden ondersteunden het alternatieve scenario en ondermijnden de betrouwbaarheid van de verklaring van aangeefster over een tweede verkrachting.
Gezien het wettelijk bewijsminimum en het ontbreken van voldoende steunbewijs achtte het hof het bewijs onvoldoende om tot een bewezenverklaring te komen. Daarom sprak het hof verdachte vrij en verklaarde de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering tot schadevergoeding.