De beoordeling
1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 140,- voor: “als bestuurder of passagier van een motorfiets dan wel driewielig motorvoertuig zonder gesloten carrosserie geen goedgekeurde en goed passende/deugdelijk bevestigde helm dragen”. Deze gedraging zou zijn verricht op 8 juli 2017 om 14:02 uur op de Epenerbaan in Vaals met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde voert in hoger beroep allereerst aan dat de beslissing van de officier van justitie vanwege een motiveringsgebrek niet in stand kan blijven, hetgeen door de kantonrechter niet is onderkend. De gemachtigde heeft in administratief beroep een expliciet en onderbouwd inhoudelijk verweer gevoerd, waarop de officier van justitie in het geheel niet heeft gereageerd.
3. Het hof stelt vast dat de gemachtigde er in administratief beroep op heeft gewezen dat de betrokkene ten onrechte wordt verweten geen helm te hebben gedragen, terwijl dit volgens de geldende regelgeving niet hoefde. De gemachtigde verwijst hierbij naar informatie van de Rijksoverheid waaruit zou volgen dat op een trike met veiligheidsgordels niet met een helm hoeft te worden gereden. De officier van justitie heeft bij zijn beslissing kort gezegd overwogen dat de genoemde argumenten de officier van justitie onvoldoende aanleiding geven om te twijfelen aan de beschikkingsgegevens.
4. Naar het oordeel van het hof berust de beslissing van de officier van justitie niet op een deugdelijke motivering zoals artikel 7:26, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht eist. Het hof acht daartoe van belang dat het verweer van de gemachtigde niet zozeer ziet op de gegevens die ten grondslag liggen aan de inleidende beschikking - niet is namelijk in het geding dat de betrokkene geen helm droeg - maar op de uitleg van de daaraan ten grondslag liggende regelgeving en de toepassing daarvan in het onderhavige geval. De beslissing van de officier van justitie geeft er geen blijk van dat dit verweer daarin is meegenomen. Daardoor heeft de gemachtigde geen adequate reactie ontvangen op het door hem gevoerde verweer. Gelet hierop heeft de kantonrechter de beslissing van de officier van justitie ten onrechte in stand gelaten.
5. Voorgaande houdt in dat het hof de beslissing van de kantonrechter zal vernietigen en, met gegrondverklaring van het beroep daartegen, ook de beslissing van de officier van justitie. Ter beoordeling staan thans de door de gemachtigde aangevoerde bezwaren tegen de inleidende beschikking zoals voormeld.
6. Die bezwaren houden in dat zowel het verhuurbedrijf als de Rijksoverheid verkondigen dat men geen helm hoeft te dragen op een trike als deze is voorzien van goedgekeurde veiligheidsgordels, hetgeen in casu het geval was. Uit artikel 60, tweede lid sub d, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) volgt een uitzondering voor een driewielig motorvoertuig zonder gesloten carrosserie indien de zitplaats in dit motorvoertuig voorzien is van een autogordel overeenkomstig richtlijn 97/24/EG en van een autogordel die voldoet aan artikel 5.6.47, derde en vierde lid, van de Regeling voertuigen of aan artikel 5.5.47, vierde en vijfde lid, van de Regeling voertuigen, mits van die autogordel gebruik gemaakt wordt. De ambtenaar heeft niet gesteld dat de betrokkene de gordel niet droeg of dat die niet zou voldoen aan voormelde uitzondering. De betrokkene doet dan ook een beroep op deze uitzondering, zodat de conclusie is dat de onderhavige gedraging niet is verricht. Bovendien is de bijrijder van de betrokkene en het koppel dat samen met hem is staande gehouden niet bekeurd, terwijl sprake is van dezelfde omstandigheden. Dit betekent volgens de gemachtigde dat sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel, hetgeen tevens aanleiding is om de inleidende beschikking te vernietigen.
7. In artikel 60, eerste lid, RVV 1990 was ten tijde van de gedraging, voor zover hier van belang, bepaald:
"De bestuurder en de passagiers van bromfietsen, brommobielen zonder gesloten carrosserie, motorfietsen en driewielige motorvoertuigen zonder gesloten carrosserie moeten een goed passende helm dragen, die door middel van een sluiting op deugdelijke wijze op het hoofd is bevestigd en die is voorzien van een goedkeuringsmerk als bedoeld in artikel 22, zesde lid, van de wet."
8. Artikel 60, tweede lid, RVV 1990 luidde, voor zover hier van toepassing ten tijde van de gedraging:
"Het eerst lid geldt niet voor:
(…)
d. de bestuurders of de passagiers van een brommobiel zonder gesloten carrosserie of een driewielig motorvoertuig zonder gesloten carrosserie van wie de zitplaats in deze brommobiel of dat motorvoertuig is voorzien van twee bevestigingspunten onder en één bevestigingspunt boven voor een autogordel overeenkomstig de typegoedkeuring van het voertuig zoals die gold op de datum waarop het voertuig in gebruik is genomen, en waarbij de autogordel voldoet aan artikel 5.6.47, derde en vierde lid, van de Regeling voertuigen of aan artikel 5.5.47, vierde en vijfde lid, van de Regeling voertuigen, mits van deze autogordel gebruik gemaakt wordt."
9. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“De betrokkene droeg in het geheel geen helm. (…)
Verklaring betrokkene: Verkeerd voorgelicht door verhuurder, daarom geen helm.”
10. Niet in het geding is dat de betrokkene op het moment dat hij de trike bestuurde, zijnde een driewielig motorvoertuig zonder gesloten carrosserie, geen helm droeg. Het hof ziet zich in deze zaak voor de vraag gesteld of, gelet op het bepaalde in artikel 60, tweede lid, van het RVV 1990, deze verplichting voor de betrokkene gold op het moment van de gedraging.
11. Het hof is van oordeel dat aan de betrokkene in deze zaak geen beroep toekomt op de uitzondering op de verplichting een helm te dragen, zoals vermeld in artikel 60, tweede lid onder d, van het RVV 1990. Nog los van het feit dat namens de betrokkene niet aannemelijk is gemaakt dat hij tijdens het rijden daadwerkelijk een autogordel droeg (die stelling is namelijk verder in het geheel niet onderbouwd), overweegt het hof dat op de door de betrokkene overgelegde foto van het interieur van de trike te zien is dat het voertuig enkel is voorzien van twee bevestigingspunten voor een autogordel onderin het voertuig en niet ook van een bevestigingspunt voor een autogordel bovenin. Reeds om die reden is niet voldaan aan de voorwaarden om een beroep te kunnen doen op de uitzondering zoals hiervoor vermeld. Dit betekent dat de in artikel 60, eerste lid, RVV 1990 geformuleerde verplichting voor een bestuurder van een driewielig motorvoertuig zonder gesloten carrosserie om een helm te dragen onverkort op de betrokkene van toepassing was. Nu de betrokkene niet heeft voldaan aan die verplichting, staat vast dat de onder 1. omschreven gedraging is verricht. Aan de betrokkene is terecht een sanctie opgelegd.
12. Voorgaande betekent dat het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond zal worden verklaard. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020 en1 april 2021, vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786).