ECLI:NL:GHARL:2022:204

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
13 januari 2022
Publicatiedatum
13 januari 2022
Zaaknummer
Wahv 200.268.459/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging ongegrondverklaring beroep snelheidsovertreding binnen bebouwde kom

De betrokkene werd gesanctioneerd met een boete van €103 wegens het overschrijden van de maximumsnelheid met 12 km/u binnen de bebouwde kom op 17 oktober 2018 op de N278 in Gulpen.

De betrokkene voerde aan dat de bebording ter plaatse was afgedekt met zwarte vuilniszakken, waardoor hij niet kon weten dat hij zich binnen de bebouwde kom bevond. De kantonrechter had het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen.

In hoger beroep heeft het gerechtshof overwogen dat de aanwezigheid van bebording niet werd betwist, maar dat het op de betrokkene rust om aannemelijk te maken dat de bebording niet zichtbaar was. De betrokkene heeft dit niet kunnen onderbouwen. De wegbeheerder verklaarde dat niet bekend was dat de borden waren afgedekt. Daarom blijft het missen van de bebording voor rekening van de betrokkene.

De overige verweren, waaronder het argument over voorrangsborden, zijn als overbodig beoordeeld. Het hof bevestigt het vonnis van de kantonrechter en wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de ongegrondverklaring van het beroep tegen de snelheidsovertreding en wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.268.459/01
CJIB-nummer
: 220792501
Uitspraak d.d.
: 13 januari 2022
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Limburg van 19 juli 2019, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. C.M.J.E.P. Meerts, kantoorhoudende te Beegden.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 103,- voor: “overschrijding maximumsnelheid binnen bebouwde kom, met 12 km/h”. Deze gedraging zou zijn verricht op 17 oktober 2018 om 19:22 uur op de N278 in Gulpen met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene betwist niet de aanwezigheid van bebording H1 op de route die de betrokkene heeft gevolgd, maar voert aan dat de bebording ten tijde van de gedraging was voorzien van zwarte vuilniszakken waardoor de betrokkene, die niet uit de regio komt, niet wist dat hij in de bebouwde kom reed. De kantonrechter heeft in zijn beslissing een onjuiste verdeling van de bewijslast inzake de bebording gehanteerd omdat de snelheid is gemeten met een flitspaal en er geen schouwrapporten zijn overgelegd van de situatie op of rond de pleegdatum. Verder overweegt de kantonrechter dat de bestuurder aan de hand van het bord ‘voorrangsweg’ had kunnen en moeten afleiden dat hij zich in de bebouwde kom bevond. Misschien had de bestuurder dit kunnen afleiden, maar moeten is naar de mening van de gemachtigde niet aan de orde. In reactie op de door de advocaat-generaal overgelegde informatie voert de gemachtigde aan dat het verweer met deze informatie niet is weerlegd.
3. In het algemeen mag ervan worden uitgegaan dat bebording voor de weggebruiker zichtbaar is. Dit uitgangspunt brengt mee dat in een situatie als deze, waarin de aanwezigheid van bebording niet wordt betwist, het op de weg van de betrokkene ligt om aannemelijk te maken dat de bebording ten tijde van de gedraging niet zichtbaar was. De betrokkene heeft gesteld dat de bebording was voorzien van zwarte vuilniszakken.
4. Door de advocaat-generaal is nadere informatie ingewonnen. Een verklaring van [naam1] , [functie] bij de provincie Limburg, is overgelegd. Op de vraag van de advocaat-generaal of op het moment van overtreding de borden voorzien waren van zwarte vuilniszakken, antwoordt hij:
“Bij de provincie is niet bekend dat de borden op 17-10-2018, tijdstip 19:22 u, voorzien waren van plastic vuilniszakken.´
5. De stelling van de betrokkene vindt geen bevestiging in de informatie van de wegbeheerder. Het hof verbindt hieraan de gevolgtrekking dat de betrokkene er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat de bebording ten tijde van de gedraging niet zichtbaar was. De gevolgen van de omstandigheid dat de betrokkene de bebording heeft gemist, moeten voor zijn rekening blijven.
6. Hetgeen de kantonrechter heeft overwogen met betrekking tot de voorrangsborden moet als overweging ten overvloede worden beschouwd, zodat het dienaangaande gevoerde verweer van de gemachtigde geen bespreking behoeft.
7. De kantonrechter heeft het beroep terecht ongegrond verklaard. Het hof zal die beslissing bevestigen.
8. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020 en 1 april 2021, vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786).

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Van der Zee-Venema als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.