Uitspraak
[appellant],
1.[geïntimeerde1] ,
[geïntimeerden] c.s.,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze civiele zaak staat de vraag centraal of een erfdienstbaarheid van weg kan worden opgeheven op grond van artikel 5:79 BW Pro. Appellant verlangt opheffing van de erfdienstbaarheid gevestigd op zijn perceel ten behoeve van de percelen van geïntimeerden. De rechtbank wees de vordering af omdat geïntimeerden een redelijk belang hebben bij de uitoefening van de erfdienstbaarheid.
Appellant betoogt dat de erfdienstbaarheid na een wijziging in 2007 alleen nog betrekking heeft op één perceel en dat de achterliggende percelen geen rechten meer kunnen ontlenen aan de erfdienstbaarheid. Tevens stelt appellant dat geïntimeerden feitelijk geen gebruik maken van de erfdienstbaarheid en dat het handhaven ervan misbruik van recht oplevert.
Het hof oordeelt dat de tekst van de notariële akte de erfdienstbaarheid juist toekent aan drie percelen en dat ieder perceel een redelijk belang moet hebben bij het gebruik. Het hof stelt vast dat geïntimeerden een redelijk belang hebben omdat de alternatieve oprit smaller is, minder geschikt voor zwaar verkeer en leidt tot onoverzichtelijke verkeerssituaties. Ook het gebruik met aanhangwagens is toegestaan. Het belang van geïntimeerden wordt verder versterkt door het feit dat de erfdienstbaarheid waarde vertegenwoordigt voor verkoop van percelen.
Het bewijsaanbod van appellant wordt niet relevant geacht omdat het uitgaat van een verkeerde juridische grondslag. Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en veroordeelt appellant in de proceskosten van het hoger beroep.
Uitkomst: De vordering tot opheffing van de erfdienstbaarheid wordt afgewezen omdat geïntimeerden een redelijk belang hebben bij het behoud ervan.