ECLI:NL:GHARL:2022:2467

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
30 maart 2022
Publicatiedatum
30 maart 2022
Zaaknummer
Wahv 200.289.789/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 WahvArt. 5 Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging boete voor rechts inhalen ondanks betwisting gedraging en motiveringsklacht

De betrokkene is door de officier van justitie beboet voor rechts inhalen op de Rijksweg A35 te Borne op 13 mei 2019. De kantonrechter verklaarde het beroep van de betrokkene ongegrond.

In hoger beroep betwist de betrokkene dat de gedraging heeft plaatsgevonden en stelt dat het slechts rechts passeren betrof, wat is toegestaan. Tevens is geklaagd over een standaardmotivering van de officier van justitie en het ontbreken van een op ambtseed opgemaakte verklaring van de ambtenaar.

Het hof oordeelt dat het dossier voldoende bewijs bevat dat de gedraging heeft plaatsgevonden en dat ook het voorbijrijden zonder rijstrookwissel als inhalen moet worden beschouwd. Het ontbreken van een op ambtseed opgemaakte verklaring leidt niet tot ondeugdelijke motivering. De sanctie is terecht aan de kentekenhouder opgelegd omdat staandehouding niet mogelijk was. De beslissing van de kantonrechter wordt bevestigd met verbetering van gronden en het verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen.

Uitkomst: De boete van €240 voor rechts inhalen wordt bevestigd en het beroep van de betrokkene wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.289.789/01
CJIB-nummer
: 225546888
Uitspraak d.d.
: 30 maart 2022
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Overijssel van 5 november 2020, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is F.R. Eggink, kantoorhoudende te Almelo.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de beslissing van de officier van justitie is genomen in strijd met het motiveringsbeginsel. Er is gebruik gemaakt van een standaardmotivering. Verder heeft de officier van justitie een doorslaggevende betekenis toegekend aan de verklaring van de ambtenaar. Het dossier bevat echter geen op ambtseed opgemaakte verklaring van de ambtenaar.
2. Het hof is van oordeel dat de beslissing van de officier van justitie op een deugdelijke motivering berust. De officier van justitie heeft voldoende - zij het summier - inzichtelijk gemaakt waarom de door de betrokkene aangevoerde gronden geen doel treffen. Dat hierbij gebruik is gemaakt van een standaardmotivering maakt dit niet anders. Dat het dossier geen op ambtseed opgemaakte verklaring van de ambtenaar bevat, maakt ook niet dat sprake is van een ondeugdelijke motivering. De Wahv stelt die eis namelijk niet. De klacht van de gemachtigde faalt dan ook.
3. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 240,- voor: “rechts inhalen waar dat is verboden”. Deze gedraging zou zijn verricht op 13 mei 2019 om 6:19 uur op de Rijksweg A35 in Borne met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
4. De gemachtigde voert aan dat de gedraging niet is verricht. De betrokkene heeft wel rechts ingehaald, maar dat is pas gebeurd bij de afslag Almelo. Daar is sprake van een blokmarkering, zodat rechts inhalen is toegestaan. Mocht het wel bij Borne zijn gebeurd, wat de betrokkene ten zeerste betwist, dan was geen sprake van rechts inhalen, maar slechts van rechts passeren, hetgeen is toegestaan. Van inhalen is namelijk pas sprake als men een ander voertuig voorbij gaat en dan weer terug gaat naar de oorspronkelijke rijstrook. In het zaakoverzicht staat niet dat de betrokkene weer terug is gegaan naar rijstrook 1. Verder zijn de kenmerken van het ingehaalde voertuig en dat van de betrokkene niet genoteerd, terwijl dat wel is vereist. Tot slot voert de gemachtigde aan dat de ambtenaar ten onrechte geen staandehouding heeft verricht. Dat de ambtenaar zich in een burgerauto bevond, vormt geen reden om hiervan af te zien. De kantonrechter is niet op alle voornoemde gronden ingegaan, maar heeft het beroep met een karige motivering afgedaan.
5. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
6. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Rijstrook waarop betrokkene aanvankelijk reed: 1.
Rijstrook waarop betrokkene inhaalde: 2.
Snelheid waarmee betrokkene inhaalde: 130 km/h.
Aantal ingehaalde voertuigen: 1. (…)
Ter hoogte van hectometerpaal: 51.5 L
Opgaven verbalisant
Merk van voertuig: Mazda
Type van voertuig: Mazda 626; hatchback 1.8. (…)
Reden geen staandehouding: Was onderweg in een burgerauto wat niet voorzien was van een stop/volgbord.”
7. Het hof ziet in hetgeen de gemachtigde heeft aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van de ambtenaar dat met het voertuig van de betrokkene rechts is ingehaald waar dat is verboden. Dat het voertuig van de betrokkene zich rechts van een blokmarkering bevond, blijkt niet uit de verklaring van de ambtenaar en is verder ook niet onderbouwd. De uitleg die de gemachtigde geeft aan het begrip inhalen, namelijk dat men na het voorbijrijden weer moet terugkeren naar de oorspronkelijke rijstrook, volgt het hof niet. Ook het voorbijrijden van een voertuig zonder dat van rijstrook wordt gewisseld moet als inhalen worden aangemerkt. Aldus kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht. Dat de ambtenaar de kenmerken van het ingehaalde voertuig niet heeft genoteerd, doet aan het voorgaande niet af. Geen rechtsregel verplicht hem daartoe.
8. Uit artikel 5 van Pro de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd, de ambtenaar de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt, zodat hem een sanctie kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder vast te stellen, mag de sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd.
9. De ambtenaar heeft verklaard dat hij geen staandehouding heeft kunnen verrichten omdat hij reed in een burgerauto dat niet was voorzien was van een stop-/volgbord. Hieruit volgt naar het oordeel van het hof genoegzaam dat zich geen reële mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder heeft voorgedaan. Aldus is de sanctie terecht aan de betrokkene als kentekenhouder opgelegd.
10. Gelet op het voorgaande heeft de kantonrechter het beroep terecht ongegrond verklaard. Met de gemachtigde stelt het hof vast dat de kantonrechter niet is ingegaan op de grond met betrekking tot de motivering van de beslissing van de officier van justitie. De beslissing van de kantonrechter is in zoverre dan ook niet deugdelijk gemotiveerd. De beslissing van de kantonrechter zal daarom worden bevestigd met verbetering van gronden.
11. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020 en 1 april 2021, vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786).

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter met verbetering van gronden;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Starreveld als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.