ECLI:NL:GHARL:2022:2501
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging onderbewindstelling wegens onjuiste interpretatie intrekkingsbrief verzoeker
Verzoekers hebben bij de kantonrechter verzocht om een beschermingsbewind voor verzoeker in te stellen met verzoekster als bewindvoerder. De kantonrechter stelde onderbewindstelling in en benoemde een derde partij tot bewindvoerder. Verzoekers kwamen hiertegen in hoger beroep en stelden dat het verzoek tot onderbewindstelling was ingetrokken door een brief van verzoeker.
Het hof oordeelde dat de kantonrechter ten onrechte een onderbewindstelling had uitgesproken nadat verzoeker een brief had gestuurd waarin hij het verzoek tot onderbewindstelling introk. De brief was niet als zodanig opgevat door de kantonrechter, terwijl dat wel had moeten gebeuren, mede omdat de brief was geschreven naar aanleiding van een telefoontje van een medewerkster van de rechtbank die intrekking had geadviseerd.
Daarnaast werd beoordeeld of verzoekster samen met verzoeker het verzoek tot onderbewindstelling had kunnen indienen, aangezien zij ten tijde van het verzoek niet meer gehuwd waren. Het hof concludeerde dat verzoekster niet als 'andere levensgezel' kon worden aangemerkt en dus niet ontvankelijk was in haar verzoek, maar kwam hier niet toe vanwege de vernietiging van de beschikking.
Het hof vernietigde de beschikking van de kantonrechter en bepaalde dat de bewindvoerder rekening en verantwoording moet afleggen aan verzoeker, conform de wettelijke bepalingen. De beschikking werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: De beschikking tot onderbewindstelling wordt vernietigd omdat de kantonrechter de intrekkingsbrief van verzoeker niet als zodanig heeft opgevat.