Partijen zijn in 2010 gehuwd en zijn in februari 2021 gescheiden. De kinderen wonen bij de vrouw. De man vordert partneralimentatie en een gelijke verdeling van certificaten uit een investeringsproject. Het hof verwijst naar de eerdere beschikking van de rechtbank en behandelt het hoger beroep.
De vrouw heeft sinds de scheiding een lager inkomen door werkloosheid en daarna loondienst, met hoge woonlasten en zorgkosten. Het hof berekent de draagkracht van de vrouw en houdt rekening met de kosten van de kinderen, waarbij ook inkomsten uit een letselschade-uitkering worden betrokken. De draagkracht van de vrouw blijkt onvoldoende voor partneralimentatie.
De man heeft een lagere draagkracht voor kinderalimentatie. De gezamenlijke draagkracht voor kinderalimentatie wordt vastgesteld, waarbij de vrouw het grootste aandeel draagt. De behoefte van de man aan partneralimentatie behoeft geen verdere bespreking omdat de vrouw geen draagkracht heeft.
Over de certificaten van het investeringsproject bereiken partijen overeenstemming dat zij deze bij uitgifte gelijk delen. Het hof bekrachtigt de afwijzing van partneralimentatie en wijzigt de verdeling van de certificaten conform de overeenkomst van partijen.