ECLI:NL:GHARL:2022:2634

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
5 april 2022
Publicatiedatum
5 april 2022
Zaaknummer
200.298.832/01
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 133 lid 4 RvArt. 353 RvArt. 1.8 LprArt. 6.2 LprArt. 6.4 Lpr
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid in hoger beroep wegens niet tijdig indienen grieven

In deze civiele zaak was appellant in eerste aanleg bij de kantonrechter gedaagde en Stichting Dimence eiseres. Appellant stelde hoger beroep in tegen het eindvonnis van 2 februari 2021, maar nam geen memorie van grieven binnen de gestelde termijn. Nadat de oorspronkelijke advocaat zich had onttrokken, stelde zich geen nieuwe advocaat voor appellant.

Het hof constateerde dat het recht om grieven te nemen op grond van artikel 133 lid 4 Rv Pro en artikel 353 Rv Pro vervallen was, aangezien geen proceshandeling binnen de termijn was verricht en geen uitstel meer mogelijk was. Het hof oordeelde dat het eindvonnis niet in strijd was met openbare orde en verklaarde appellant niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep.

Appellant werd veroordeeld in de kosten van het hoger beroep, vastgesteld op € 772 aan verschotten en € 557 aan salaris advocaat. Het hof wees het meer of anders gevorderde af. Het arrest werd op 5 april 2022 uitgesproken door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Uitkomst: Appellant wordt niet-ontvankelijk verklaard in hoger beroep wegens het niet tijdig indienen van grieven en het ontbreken van een nieuwe advocaat.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.298.832/01
(zaaknummer rechtbank Overijssel 8487763)
arrest van 5 april 2022
in de zaak van
[appellant] ,
die woont in [woonplaats] ,
appellant,
bij de kantonrechter: gedaagde,
hierna:
[appellant],
advocaat: voorheen mr. J.H. Brouwer uit Apeldoorn, die zich heeft onttrokken,
tegen
Stichting Dimence,
gevestigd te Deventer,
geïntimeerde,
bij de kantonrechter: eiseres,
hierna:
Dimence,
advocaat: mr. M.J. Seijbel uit Zwolle.

1.Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van
29 september 2020 en 2 februari 2021 die de kantonrechter in de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle (hierna: de kantonrechter), heeft gewezen.

2.Het geding hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit de appeldagvaarding van
30 april 2021 (met één productie).
2.2
In de appeldagvaarding concludeert [appellant] tot vernietiging van het eindvonnis van de kantonrechter van 2 februari 2021, tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van
Dimence en veroordeling van Dimence in de kosten van beide instanties, voor zover mogeljk uitvoerbaar bij voorraad.
2.3
[appellant] heeft geen grieven genomen binnen de termijn van zes weken die op 5 oktober 2021 vestreken is. Vervolgens is aan [appellant] een uitstel van vier weken verleend tot 2 november 2021.
2.4
Op de rol van 2 november 2021 heeft [appellant] geen memorie van grieven genomen. Op laatstgenoemde roldatum heeft mr. Brouwer zich onttrokken aan de zaak.
Mr. Brouwer heeft [appellant] schriftelijk gewezen op de gevolgen van de onttrekking.
2.5
Aan [appellant] is een nader uitstel tot 16 november 2021 verleend voor het opnieuw stellen van een advocaat en voor het alsnog nemen van de memorie van grieven.
2.6
Op 16 november 2021 heeft zich geen nieuwe advocaat gesteld voor [appellant] en is de memorie van grieven niet genomen. Vervolgens heeft Dimence arrest gevraagd.

3.De beoordeling in hoger beroep

3.1
In art. 133 lid 4 Rv Pro is bepaald dat indien een proceshandeling niet is verricht binnen de daarvoor gestelde termijn en daarvoor geen uitstel kan worden verkregen, het recht vervalt om de desbetreffende proceshandeling te verrichten. Op grond van art. 353 Rv Pro is die bepaling van overeenkomstige toepassing in hoger beroep. In art. 1.8 van het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven (Lpr) is bepaald dat de termijnen ambtshalve worden nageleefd, tenzij uit dit reglement anders voortvloeit.
3.2
Aangezien zich namens [appellant] op 16 november 2021 geen nieuwe advocaat heeft gesteld en op die datum de memorie van grieven niet is genomen, brengt toepassing van genoemde wetsbepalingen en de artikelen 6.2 en 6.4, eerste volzin, Lpr mee dat het recht van [appellant] om alsnog van grieven te dienen is komen te vervallen.
3.3
Nu [appellant] geen grieven heeft ontwikkeld tegen het eindvonnis van
de kantonrechter van 2 februari 2021 en in aanmerking nemend dat dit vonnis niet in strijd is met de rechtsregels die van openbare orde zijn, zal het hof [appellant] niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep.
3.4
[appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld worden in de kosten van het geding in hoger beroep. Deze worden aan de zijde van Dimence vastgesteld op
€ 772,- aan verschotten en op € 557,- (0,5 punt, tarief II) voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief. Het hof zal het meer of anders gevorderde afwijzen.

4.De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:
verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep;
veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van Dimence vastgesteld op € 772,- aan verschotten en op € 557,- voor salaris advocaat;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Kuiper, J. Smit en P.S. Bakker en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 5 april 2022.