Belanghebbende, eigenaar van een supermarkt, betwistte de door de gemeente Nijmegen vastgestelde WOZ-waarde en de daarop gebaseerde aanslag onroerendezaakbelasting (OZB) voor 2019. De rechtbank had het beroep ongegrond verklaard, waarna belanghebbende hoger beroep instelde bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Het geschil betrof primair de verbindendheid van de gemeentelijke OZB-verordening en secundair de juistheid van de WOZ-waarde, waarbij vooral de gehanteerde kapitalisatiefactor ter discussie stond. Tevens werd een individuele buitensporige last betoogd.
Het hof oordeelde dat de gemeentelijke verordening verbindend is en dat de tariefverschuiving binnen de OZB niet onredelijk of willekeurig is, noch in strijd met hogere wetgeving of het EVRM. De stelling van een individuele buitensporige last werd onvoldoende onderbouwd.
Met betrekking tot de WOZ-waarde concludeerde het hof dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de gehanteerde kapitalisatiefactor van 13,0 niet te hoog is, mede gelet op een recente verkoop van een vergelijkbaar object en de lage leegstandrisico's.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen vergoeding van griffierecht of proceskosten toegekend.