De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde van een in 1954 gebouwde bovenwoning voor het kalenderjaar 2019 vast op €168.000. De belanghebbende, eigenaar van de woning, maakte bezwaar tegen deze waarde en stelde dat de waarde te hoog was vanwege de groepsbewoning en de ligging tegenover een autoparkeergarage. De rechtbank Gelderland verklaarde het beroep ongegrond, waarna belanghebbende hoger beroep instelde bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Het hof beoordeelde het taxatierapport van de WOZ-taxateur, waarin drie vergelijkbare bovenwoningen in dezelfde buurt waren gebruikt als vergelijkingsobjecten. Het hof vond de verkoopgegevens van deze woningen, met name een woning op circa 365 meter afstand met vergelijkbare kenmerken, voldoende betrouwbaar om de vastgestelde waarde te ondersteunen. Daarnaast concludeerde het hof dat de ligging tegenover de parkeergarage geen waardedrukkend effect had, omdat alleen de toegang tot de woning aan die zijde ligt.
Op grond van deze overwegingen oordeelde het hof dat de heffingsambtenaar aannemelijk had gemaakt dat de WOZ-waarde niet te hoog was vastgesteld. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.