Belanghebbende B.V. is eigenaar van een flatwoning uit 1950 met een oppervlakte van 107 m2, gelegen aan een adres in [plaats1]. De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde voor het kalenderjaar 2019 vast op €202.000, welke waarde door belanghebbende werd betwist. Na een uitspraak van de rechtbank Gelderland die het beroep ongegrond verklaarde, stelde belanghebbende hoger beroep in bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
In het hoger beroep stond centraal of de heffingsambtenaar de waarde van de onroerende zaak te hoog had vastgesteld. Belanghebbende stelde een lagere waarde van €179.000 voor, terwijl de heffingsambtenaar de vastgestelde waarde verdedigde met een taxatierapport van een WOZ-taxateur. Dit rapport gebruikte drie vergelijkingsobjecten in de buurt, waaronder een vergelijkbare flatwoning aan hetzelfde plein.
Het Hof oordeelde dat de heffingsambtenaar aannemelijk had gemaakt dat de waarde niet te hoog was vastgesteld. Het Hof hechtte daarbij waarde aan de marktkoopprijs van €185.000 van een vergelijkbaar object uit 2018, en vond dat het verschil in woonoppervlakte en andere kenmerken adequaat was meegenomen in de waardebepaling. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Proceskosten werden niet toegewezen. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd. De beslissing werd in het openbaar uitgesproken op 12 april 2022 door raadsheer A.J.H. van Suilen, in aanwezigheid van griffier E.D. Postema.