De moeder is in hoger beroep gekomen tegen de beschikking van de rechtbank Gelderland die het verzoek tot opheffing van de ondertoezichtstelling van haar twee minderjarige kinderen heeft afgewezen. De ondertoezichtstelling was aanvankelijk opgelegd wegens ernstige bedreiging van de ontwikkeling van de kinderen en was verlengd tot 29 december 2022.
In hoger beroep heeft het hof overwogen dat de moeder een rechtens relevant belang heeft om de rechtmatigheid van de ondertoezichtstelling over de periode van 7 september 2021 tot 29 december 2021 te laten toetsen. De moeder stelde drie grieven voor, waarvan de eerste betrekking had op procedurele aspecten en de overige op de inhoud van de beschikking.
Het hof oordeelde dat de procedurele omissie in eerste aanleg was hersteld doordat beide ouders bij de mondelinge behandeling in hoger beroep aanwezig waren en hun standpunten konden toelichten. Inhoudelijk stelde het hof vast dat de bedreiging van de ontwikkeling van de kinderen nog steeds aanwezig is, mede vanwege spanningen tussen de ouders en de noodzaak van begeleide omgang met de vader. De oorspronkelijke doelen van de ondertoezichtstelling waren nog niet bereikt en er was geen aanwijzing voor verandering.
Het hof benadrukte het belang van ambulante hulpverlening voor de moeder en kinderen en het zoeken van hulp door de vader voor zijn emotie-regulatie. Gezien deze omstandigheden faalden de grieven en werd de beschikking van de rechtbank bekrachtigd.