Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 7 april 2022 uitspraak gedaan in het hoger beroep van een terbeschikkinggestelde tegen de verlenging van zijn maatregel door de rechtbank Den Haag. De maatregel betreft een terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege, die gemaximeerd is tot vier jaar. De terbeschikkinggestelde had bezwaar gemaakt tegen de verlenging en verzocht tevens om vaststelling van de aanvangsdatum van de verpleging.
Tijdens de zitting heeft het hof de terbeschikkinggestelde gehoord, evenals zijn raadsman en de advocaat-generaal. De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van de eerdere beslissing en verlenging van de maatregel met één jaar, met een verzoek aan het hof om zich uit te laten over de aanvangsdatum van de verpleging. De voorlopige verpleging was bevolen op 1 september 2021, en het hof stelde vast dat deze periode moet worden meegeteld in de maximale duur van vier jaar.
Het hof bevestigde de beslissing van de rechtbank tot verlenging van de maatregel met twee jaar en voegde een belangrijke overweging toe over de berekening van de maximale duur van de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege. Het hof oordeelde dat de aanvang van de verpleging moet worden gesteld op de dag van het bevel tot voorlopige verpleging, omdat vanaf dat moment sprake is van vrijheidsbeneming en formele verpleging, ook al is de daadwerkelijke behandeling nog niet gestart.
Het hof benadrukte het belang van voortvarendheid in de behandeling van de terbeschikkinggestelde, gezien de beperkte resterende tijd binnen de maximale duur van de maatregel. De beslissing werd in het openbaar uitgesproken en de raden waren buiten staat om mede te ondertekenen.