ECLI:NL:GHARL:2022:3104

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
21 april 2022
Publicatiedatum
21 april 2022
Zaaknummer
Wahv 200.283.648/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen sanctie overschrijding maximumsnelheid en administratiekosten

De betrokkene werd gesanctioneerd voor het overschrijden van de maximumsnelheid binnen de bebouwde kom met 10 km/h, vastgesteld op 1 augustus 2019 met een radar van het merk Jenoptik. Hij voerde aan dat de snelheid mogelijk lager was dan vastgesteld vanwege afrondingsregels bij snelheidsmetingen. Het hof oordeelt dat de werkelijke gecorrigeerde snelheid minstens 60 km/h bedroeg, waarmee de overtreding vaststaat.

Daarnaast betwistte de betrokkene de hoogte van de administratiekosten van € 9,-, stellende dat deze onrechtmatig hoog zijn en onvoldoende onderbouwd. Het hof vernietigt het oordeel van de kantonrechter dat het beroep tegen de administratiekosten niet-ontvankelijk was en stelt dat bezwaren tegen deze kosten in de procedure tegen de sanctie kunnen worden ingebracht.

Na beoordeling van de onderbouwing concludeert het hof echter dat er geen reden is om aan te nemen dat de administratiekosten te hoog zijn vastgesteld, mede omdat de betrokkene geen stukken heeft overgelegd ter onderbouwing van zijn berekeningen. Het verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen. De overige beslissingen van de kantonrechter worden bevestigd.

Uitkomst: Sanctie voor snelheidsovertreding bevestigd, beroep tegen administratiekosten ontvankelijk verklaard maar afgewezen, verzoek proceskostenvergoeding afgewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.283.648/01
CJIB-nummer
: 227597744
Uitspraak d.d.
: 21 april 2022
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank
Noord-Nederland van 16 juli 2020, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond en het beroep tegen de hoogte van de administratiekosten niet-ontvankelijk verklaard.

Het verloop van de procedure

De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Hierbij is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 72,- voor: “overschrijding maximumsnelheid binnen bebouwde kom, met 10 km/h”. Deze gedraging zou zijn verricht op 1 augustus 2019 om 11:14 uur op de Gauke Boelensstraat in Drachten met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De betrokkene voert aan dat het bedrag van de sanctie moet worden verlaagd met € 9,-, omdat een snelheid mogelijk is waarbij de meting niet exact interpretabel is, waarbij wel wettig en overtuigend is bewezen dat met het voertuig 59 km/h is gereden. Je kunt tijdens de nauwkeurige meting bij een snelheidscontrole rijden met een snelheid die op de grens ligt van waar niet meer kan worden gemeten welke kant op afgerond moet worden. Er is niet na te gaan of bij een gereden snelheid van 59,99999999999999999999999 km/h het apparaat bijvoorbeeld niet nauwkeuriger kan inschatten dan 60,00 km/h. En als dat niet bekend is, dan is ook niet duidelijk in welk gebied de metingen niet voldoende duidelijkheid geven.
3. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
4. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“De werkelijke snelheid stelde ik vast met behulp van een voor de meting getest, goedgekeurd en op de voorgeschreven wijze gebruikt snelheidsmeetmiddel.
Gemeten (afgelezen) snelheid: 63 km/h.
Werkelijke (gecorrigeerde) snelheid: 60 km/h.
Toegestane snelheid: 50 km/h.
Overschrijding met: 10 km/h.
Soort snelheidsmiddel: Radar.
Merk: Jenoptik.
Type:: MultaRadar CT.”
5. Het dossier bevat voorts een verklaring van het NMi van 15 januari 2019, inhoudende dat de gebruikte snelheidsmeter ten tijde van de gedraging voldeed aan de Concept regeling voorschriften meetmiddelen politie.
6. In het dossier bevindt zich verder een verklaring van 23 december 2020 van [naam1] , verkeersspecialist bij de Politie. Hij verklaart onder meer het volgende:
“Niet alleen bij dit meetmiddel, maar bij alle snelheidsmeetmiddelen, wordt gebruik gemaakt van een afgeknotte snelheid. Daarmee wordt bedoeld dat elk cijfer achter de komma genegeerd wordt. Dus zowel een snelheid van 60,0000001 km/h als een snelheid van 60,9999999 km/h zal worden weergegeven als 60 km/h.”
7. Het hof ziet in wat de betrokkene aanvoert geen reden eraan te twijfelen dat de werkelijke (gecorrigeerde) snelheid in dit geval minstens 60 km/h bedroeg. Gelet hierop kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht.
8. De betrokkene voert verder aan dat de kantonrechter het beroep tegen de hoogte van de administratiekosten ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. De betrokkene stelt dat de hoogte van de administratiekosten in werkelijkheid veel lager is dan in de wet geregeld. Op de website van het CJIB is aangegeven waaruit de € 9,- administratiekosten zijn opgebouwd: € 5,52 personeelskosten en € 2,53 apparaatskosten. Echter is in de (rijks)begroting aangegeven dat de personeelskosten onderdeel zijn van de apparaatskosten. De verantwoording van de administratiekosten is daarmee niet sluitend en geeft serieuze reden te twijfelen aan de onderbouwing van de hoogte van het totale bedrag. De hoogte van het bedrag is door de Minister ingeschat en door de Kamer gezien, maar de betrokkenheid van een minister en een kamer is, zo blijkt uit de praktijk, geen garantie voor een eerlijke onderbouwing. Wanneer je de inkomsten van ruim 9 miljoen boetes maal € 5,52 administratiekosten ten behoeve van het persoon doorrekent dan is op ongeveer 1 miljoen euro na al het eigen personeel van het CJIB daarmee betaald. Dat houdt in dat bijna al het persoon van het CJIB (877 fte) met administratieve sancties bezig moet zijn en dat alle andere taken dus nauwelijks personele inzet hebben.
Dit terwijl er een hele reeks andere taken ook bij het CJIB ligt. Die lijken wel niet begroot te zijn, omdat op administratiekosten worden ‘overbegroot’. Ook met de € 2,53 aan apparaatskosten per transactie is een totaal van 24,5 miljoen euro binnen te halen, terwijl de post apparaatskosten voor het hele CJIB 27,5 miljoen euro is. Dus ook hier lijkt het CJIB wel heel duur op een grotendeels geautomatiseerde subtaak en rekentechnisch heel goedkoop op al het andere werk. Het lijkt er zeer sterk op dat nagenoeg het hele CJIB draaiende gehouden kan worden op administratiekosten van één onderdeel, dat lijkt op een rammelende begroting. Faalkosten dienen niet gezien te worden als deel van de administratiekosten.
9. Het hof is van oordeel dat de kantonrechter het beroep tegen de hoogte van de administratiekosten ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Anders dan de kantonrechter overweegt kunnen bezwaren tegen de administratiekosten worden ingediend in de procedure tegen de oplegging van de sanctie. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter in zoverre vernietigen.
10. In de administratiekosten mogen slechts kosten worden doorberekend die betrekking hebben op de inning van de sancties (vergelijk het arrest van het hof van 14 mei 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:4377). In dit arrest wordt een toelichting van de Staatssecretaris van Veiligheid van Justitie van 19 oktober 2015 tot wijzing van de Regeling vaststelling administratiekosten 2012 aangehaald. De Staatsecretaris legt hierin uit waarop de verhoging van de administratiekosten is gebaseerd. Hierin benadrukt de Staatssecretaris dat er geen kosten worden doorberekend die betrekking hebben op andere processen van het CJIB dan die voortkomen uit het inningsproces van geldelijke sancties. Het hof ziet in wat de betrokkene aanvoert geen reden aan te nemen dat de administratiekosten van € 9,- te hoog zijn vastgesteld. Het hof overweegt hierbij nog dat de betrokkene zich baseert op cijfers van het CJIB, maar dat hiervan geen stukken zijn overgelegd. Het hof kan deze berekeningen daarom niet nagaan.
11. Gelet op het voorgaande zal het hof beslissen als hierna vermeld.
12. De betrokkene wordt niet in het gelijk gesteld. Het hof zal het verzoek om een proceskostenvergoeding daarom afwijzen (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020 en 1 april 2021, ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786). Dat de betrokkene mogelijk niet verder had geprocedeerd indien hij eerder een verklaring had gekregen over de wijze waarop de snelheid wordt vastgesteld, geeft geen reden tot een ander oordeel.

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter voor zover het beroep tegen de hoogte van de administratiekosten niet-ontvankelijk is verklaard;
bevestigt de beslissing van de kantonrechter voor het overige;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Van der Zee-Venema als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.